Mijn toekomst krimpt

Rik Zaal wordt oud. Hij schreef er een boek over. „De dood is niet interessant, maar wel de weg ernaar toe”, zegt hij bij linzen met worst. 

Rik Zaal schreef het boek Zeventig: „Nog een voordeel van ouder worden: Je krijgt me veel minder snel gedeprimeerd.” Foto: Merlijn Doomernik

Over vier dagen wordt schrijver en programmamaker Rik Zaal zeventig. Oud, vindt hij. Niet dat de dood nou bij hem voor de deur staat, maar zijn toekomst krimpt en komt met gebreken. In zijn boek Zeventig noteert hij zijn bevindingen over het ouder worden. Hij constateert dat hij lelijker wordt, dat hij sommige dingen al honderd keer gehoord (en gezegd) heeft, dat hij bij overlijdensadvertenties het geboortejaar van overledenen steeds vaker vergelijkt met het zijne. Maar ook dat oude trauma’s minder pijn doen, dat hij het minder erg vindt iets kwijt te zijn en dat hij steeds meer van de natuur geniet, terwijl hij vroeger de peterselie in de soep al genoeg natuur vond.

We spreken af in een klein restaurant schuin tegenover zijn huis, waar alleen op afspraak kan worden gegeten, en waar de eigenares traditioneel Frans kookt en haar gasten bij de voornaam noemt. Rik Zaal vierde bij haar zijn 49ste en 59ste verjaardag. „Misschien omdat ik het stiekem best raar vond om 50 en 60 te worden.” Hij is binnengekomen met een dikke sjaal om zijn nek. „Ziek”, zegt hij. „Al anderhalve week.” Wat scheelt hem? „Slap, verkouden, geen koorts.” Een jaar of drie geleden was hij ook ziek, toen wel met koorts en ijlen. „Dat was het moment dat ik me echt realiseerde: o ja, ik ben oud.”

Pas op je 67ste constateren dat je oud bent? Benijdenswaardig. Veel vrouwen zien de eerste tekenen van veroudering al na hun dertigste. „Dat mannen mooier oud worden dan vrouwen is dus echt een misverstand”, zegt hij. „Ik was laatst op een reünie. De mannen van mijn leeftijd waren te dik en behoorlijk lelijk geworden, de vrouwen zagen er nog goed uit.” Misschien doen die vrouwen meer hun best? Rik Zaal knikt en aait over zijn buik. „Ik ben ook weer vijf kilo te dik. Blijkbaar zit het in onze cultuur dat mannen zich sneller laten gaan.”

In Zeventig bestrijdt hij de „stellige meningen” die hij hoort over oud worden en de dood. „Mensen zeggen: ik zou mijn leven zó weer over doen. Alsjeblieft niet, zeg. Ik kan zo tien dingen noemen die ik niet nog een keer wil beleven.” Hij somt op: het huwelijk met zijn eerste vrouw. Nooit aan moeten beginnen, al is hij nog zo blij met de dochter en twee kleindochters die eruit voortkwamen. De negen jaar die hij zwoegde op het gymnasium – zonde van zijn tijd. De ‘seks en de meisjes’ uit zijn puberjaren met al het stiekeme gedoe, zo zou hij het nooit meer willen. Er zijn zo veel misstappen die hij nooit had willen maken, laat staan herhalen.

Hij heeft een lijst gemaakt van zijn fysieke verval, van boven naar beneden. Groeiende kale plek op zijn hoofd, wallen onder zijn ogen, pigmentvlekken, hangend vel onder de kin, borsten, dikke buik, zichtbare aderen op enkels en voeten. „Het is een heel werk hoor, om er vrede mee te hebben. Ik denk dat het me is gelukt.” Wat niet wegneemt dat hij de aftakeling probeert te remmen. Hij is jaren geleden al gestopt met roken, drinkt minder dan voorheen, hij wandelt en fietst om in vorm te blijven en let op zijn gewicht. Nooit een kleurspoeling overwogen, botox, een operatie? „Geen seconde.” Hij streeft ernaar zo laconiek mogelijk te doen over de lasten van het ouder worden en de pijn en pijntjes die daarbij horen.

In één klap sterven, zoals veel mensen zich wensen, dat is verschrikkelijk, zegt hij. „Ik heb het één keer meegemaakt, met een vriend. Hij was 46. Ik 40. Ik heb staan hyperventileren bij zijn crematie, van schrik en onmacht om het plotselinge van zijn dood.” Voor de achterblijvers is rustig sterven te prefereren. Maar ook voor de stervende is het, denkt hij, prettiger om het langzaamaan te doen. „Ik was bij de laatste adem van mijn vader, van mijn schoonmoeder, zat aan het sterfbed van een goede vriend.” Rustig afscheid nemen, de naasten netjes achterlaten, een testament opmaken, je wensen kenbaar maken (begraven of cremeren). Hij vindt: wie oud is, moet zich voorbereiden. Dus voor hem is het sterven vast begonnen?

Euthanasie

Eerst eten. Hij kiest de traditionele worst uit Lyon met linzen. „Wat voor rode wijn is het en waar komt-ie vandaan?”, vraagt hij als de fles al boven zijn glas hangt. Het is een mix van syrah- en grenachedruiven en komt van de Mont Ventoux. En dan beantwoordt hij mijn vraag: „Zeventig is een leeftijd waarop je je bewuster bent dat het einde nabij is.”

Doodgaan lijkt me niet het probleem, zeg ik, maar juist niet-doodgaan. Honderd worden in een verzorgingstehuis; afhankelijk, bedlegerig, dementerend. En de dood die maar niet komt. Hij haalt zijn schouders op en vertelt over zijn Praagse vriend die al tien jaar in bed ligt. Hersenbloeding. Spreken kan hij niet, alleen ja of nee aanduiden. „Is zijn leven de moeite waard? Hij zegt van wel.” Wat wil Rik Zaal daarmee zeggen? „Dat je uiteindelijk nergens verstand van krijgt, ook niet van doodgaan.”

Hij hoopt dat hij zijn levenseinde kan ondergaan zoals het zich aandient. En als dat niet lukt? „Dan stap ik eruit. Ik vind euthanasie zoiets vanzelfsprekends.” Zo makkelijk is dat toch niet, zeg ik. „Ik heb wel meer niet-makkelijke dingen gedaan in mijn leven.”

De dood zelf vindt hij „niet zo interessant”, hem gaat het om de weg ernaar toe. Artrose in zijn rechterknie en linkerpink en vorderende kaalheid lijken me peanuts bij wat ouderdom nog meer voor hem in petto heeft. Wie weet hoeveel (fysieke) ellende hem nog treft? Hij glimlacht. „Dat is nog een voordeel van ouder worden: je krijgt me veel minder snel gedeprimeerd dan vroeger.” Het leven kan nog wel dertig jaar duren, probeer ik. „Natuurlijk niet”, zegt hij. „Mijn vader is 72 geworden. En ik lijk op hem.” Zijn vader, lederbewerker, overleed aan kanker. „Geen erfelijke soort.”

En zijn moeder? „Die leeft nog.” Ze is 90 en woont op zichzelf in een iets te groot huis in Groningen. „Ze is een krakende wagen, maar volledig bij de tijd.” Ze heeft een groot talent, zegt hij. „Ze heeft het vermogen geholpen te kunnen worden. Haar buren zorgen graag voor haar, en zij aanvaardt hun hulp in dankbaarheid.”

Zo lang zijn moeder er nog is, is hij kind. Geen wonder dat hij zich pas zo laat oud voelde. Hij maakt een wegwerpgebaar. „Dat vind ik echt veel te romantisch-theoretisch. Ik heb geen enkele moeite mezelf oud te vinden.” Als hij iets erg vindt, is het wel de „obsessieve ontkenning” van het ouder worden die hij soms bij leeftijdgenoten ziet. De mannen die in platenwinkels de lp-verzameling uit hun jeugd proberen te completeren, de vrouw die elk jaar het rokje blijft passen dat ze droeg toen ze zestien was, de zestiger die in de MG of Triumph rijdt die hij daarvoor nooit kon betalen, maar die in de achteruitkijkspiegel kan zien hoe stupide hij eruitziet. Zo is hij niet. „Ik doe aan mijn leeftijd”.

In Zeventig citeert hij de Romeinse schrijver Seneca die schrijft dat zijn veel jongere vrouw hem noopt goed voor zichzelf te zorgen en de dood uit te stellen. „(..) in deze oude man huist nog een jonge vrouw voor wie ik nuttig ben (..).” Rik Zaals huidige vrouw is 24 jaar jonger. Maakt dat zijn ouder worden makkelijker of moeilijker? Hij aarzelt. „Ongetwijfeld ga ik eerder dood dan zij.” Dus? „Dus praten we daar geregeld over. Ik wil graag alles op een nette manier hebben achter gelaten als de tijd daar is.”

Jurymaatschappij

Sinds een paar jaar bezit hij een tweede huisje op het Groninger platteland. (Ook een kenmerk van de ouder wordende mens, vindt hij: toch maar een tweede huisje aanschaffen). „Opmerkelijk vaak” bezoekt hij dan zijn moeder. „We hebben het heel gezellig. Ik ben gewend geraakt aan haar medische bulletins, zij aan mijn gemopper op van alles.”

Hij begint er zelf over, over dat mopperen. Want iets van een monkelende, oudere heer heeft hij wel. Als hij schrijft over de ‘jurymaatschappij’ van tegenwoordig, over twintigers die hij moet uitleggen wie Wim T. Schippers is [een kunstenaar], of wie hij zelf is. Over onbenul, oppervlakkigheid en makkelijke meningen en dat hij zich steeds minder thuis voelt in de tijd.

Zijn glas wordt nog eens volgeschonken. Daarna een stukje taart met een espresso. „Vroeger zou ik daar zeker een cognac bij hebben genomen. Dat doe ik dus niet meer.”

Hij heeft willen voorkomen, zegt hij, dat het boek een afrekening werd. Dat neemt niet weg dat hij moeite heeft met sommige veranderingen. Jaren werkte hij voor televisie, maar nu wordt geen enkel programmavoorstel dat hij doet nog aangenomen. „Tegenwoordig bepaalt niet de maker wat hij maakt, maar de zendercoördinator.” Zijn oude kranten – Het Nieuwsblad van het Noorden en de Volkskrant – willen geen column meer van hem. Dat heeft wél met zijn leeftijd te maken, ook al zegt niemand in zijn gezicht dat ze liever een jongere columnist willen. Hij is niet rancuneus, zegt hij. Hooguit een heel enkele keer verbijsterd. „Een van de hoofdredacteuren kwam bij me met een ideetje voor een column. De Boze Babyboomer zou die heten, en of ik het dan wilde schrijven.”

Voelt hij zich uitgerangeerd? „Nee.” Afgeserveerd? „Nee.” Op een zijspoor gezet dan? „Ja, zoiets.” Hij kan er niet mee zitten. „Het is zoals het is. Ik trek me met plezier terug in mijn schrijverschap.”