Journalisten komen moeilijk van misdaad los

De criminaliteit neemt al jaren af. Niet alleen in aangiften en afgestrafte daders, maar ook in wat burgers zelf vertellen in slachtofferenquêtes. Maar overkomen bij de burger doet het niet. Weet men het niet, maakt het geen indruk? Na ieder incident is er steevast onrust, halve paniek en behoefte aan nieuwe regels dan wel hard ‘ingrijpen’. De afname haalt het nieuws al nauwelijks.

Ook de omvang van misdaadberichtgeving verandert nauwelijks. Faalt de journalistiek? Verkoopt misdaad beter, is veiligheid saai? Is informatie die aansluit bij wat mensen toch al dachten makkelijker te brengen dan wat het beeld verstoort?

Of zijn het juist de bestuurders die het gevoel van onveiligheid in stand houden, uit politieke motieven. Bijvoorbeeld omdat angst in hun wereldbeeld past en er slachtoffers te rekruteren zijn? Criminaliteit als een stok om de hond te slaan; om er ‘Marokkanen’ mee te stigmatiseren. Of om de premier ‘bloed aan zijn handen’ te kunnen beloven als het ‘straks’ fout gaat. Bange burgers, handige politici, gehoorzame journalistiek?

In januari werd een VU-onderzoek gepubliceerd dat deze vraag voor de sinds 2007 dalende jeugdcriminaliteit probeert te beantwoorden. Geven de media dat wel weer? En zo nee, waarom dan niet? Het rapport kwam – o ironie – precies rond de Charlie Hebdo aanslag uit, toen veiligheidspaniek en aanslagangst hoogtij vierden. Niemand merkte het op – of waagde het op te schrijven.

Wat blijkt: alle veronderstellingen hierboven zijn ongeveer waar. Voor populaire media meer dan voor kwaliteitsmedia - maar in grote lijnen is criminaliteit een kwestie van ‘storytelling’ met een dwingende en profijtelijke verhaallijn, waar journalisten moeilijk van loskomen. Misdaadberichtgeving is goedkoop, eenvoudig, staat dichtbij de burger, trekt makkelijk emotie en spreekt aan. Met misdaad kun je carrière maken, in politiek en journalistiek.

Het onderzoek betrof 2000-2012 en vergeleek daarbinnen 2007 en 2011 met elkaar. Ruwweg werd het laatste kabinet Balkenende vergeleken met het eerste kabinet Rutte. Er werd geturfd, geanalyseerd en geïnterviewd. Welke bronnen, welke invalshoeken (frames), welke selectie. En: was er inderdaad sprake van een bias, feitelijke onjuistheid? Hoofdconclusie is dat er inderdaad meer over jeugdcriminaliteit werd geschreven, terwijl die in werkelijkheid substantieel afnam. Die ontwikkeling komt opmerkelijk genoeg, vrijwel geheel voor rekening van nieuwe media. Kranten en tv volgen in aantallen artikelen redelijk de feitelijke ontwikkeling, de populaire wat minder, de kwaliteitskranten wat meer. Maar nieuwswebsites, in het bijzonder fok.nl en geenstijl.nl trokken zich nergens wat van aan en zetten de sluis open.

Naarmate de jeugdcriminaliteit daalt, voerden zij de mediadruk op, zo lijkt het. Opvallend is dat websites van de kwaliteitskranten bij hun selectie niet de eigen printredactie volgen, maar andere internetmedia. Waar de kwaliteitskranten maat houden, doen de eigen websites dat veel minder. Behalve de kwaliteitskranten kon verder geen enkel medium weerstand bieden aan nieuws over geweld en straatroof. Dat nam feitelijk op straat af, maar op tv en in de populaire media namen de incidenten juist toe.

Interessant is ook de opmars in 2011 van het ministerie van Justitie als bron. Waar in 2007 media vooral uit VVD en PVV-bron tapten, verhuisde in 2011 de journalistieke belangstelling mee naar het ministerie, met Teeven en Opstelten. De repressieve toon vindt zijn oorsprong bij de PVV, destijds invloedrijk als gedoger van Rutte 1. Zij lieten „de politieke belangen boven de feiten prevaleren”, wat leidde tot eenzijdige departementale berichtgeving met een louter repressieve invalshoek.

De journalistiek had hier kritischer kunnen zijn, menen de onderzoekers. Maar die is feitelijk te afhankelijk geworden van exclusief nieuws, aangereikt door officiële bronnen. Zoals de chef van Metro en Spits stelt: „Als jouw baas vraagt om nieuws, dan wil je Teeven te vriend houden want dan krijg je primeurs. Als je kritisch bent, dan krijg je geen primeur meer. Zo werkt het.” Geen onderzoek om veel beroepstrots aan te ontlenen.