In het gedrang

Er is weer iets gebeurd bij de spoorwegen. De stem uit de luidspreker meldt dat de passagiers rekening moeten houden met een uur vertraging en maakt excuses. En verdomd, na een uur komt er werkelijk een trein. Het is spitsuur. Dit betekent dat er twee maal zoveel mensen in dezelfde ruimte moeten. Zonder vertraging is het al krap genoeg. De deuren gaan open en vastberaden proberen de reizigers met zoveel mogelijk tegelijk in te stappen. Door één deur kunnen ze met twee tegelijk. Nu proberen ze het met zes tot acht. Maar er willen ook nog mensen uitstappen. Dit is een toestand die we gedrang noemen.

Hoe ontstaat gedrang? Doordat veel mensen tegelijkertijd hun zin proberen te krijgen terwijl er maar voor een heel beperkt aantal die ruimte is. Natuurlijk merken ze dat onmiddellijk, ze worden elkaars tegenstander. De mensen in de voorhoede zijn sowieso het assertiefst. Als ze merken dat ze worden aangevallen, gaan ze zich onmiddellijk verdedigen, geven met hun elleboog een harde por achteruit. Dat kan flink aankomen. De getroffene neemt een tegenmaatregel. Dit gebeurt allemaal in de voorhoede. Intussen merken de mensen daarachter dat het vooraan niet opschiet. Gedrang leidt tot stagnatie. Ze gaan harder dringen. Zo ontstaat wat in de psychologie nog weleens de intermenselijke escalatie zal worden genoemd.

Wat er bij een vertraging op de stations gebeurt is relatief nog niet veel bijzonders. Het moderne leven is rijk aan situaties waarin dringen onvermijdelijk is. Tik in Google ‘gedrang’ in, met een of andere variant: sport, pop, godsdienst. Heb je het goed gedaan dan weet je niet wat je leest. Bij tientallen evenementen hebben in de loop der jaren honderden mensen het leven verloren. En in beginsel zijn het allemaal vreedzame gebeurtenissen, op touw gezet om je te vermaken of je toegang tot het hiernamaals te bevorderen. Maar als je daar eenmaal bent, kan het je niks verdommen, zolang je maar de eerste bent.

Ik woon aan een drukke verkeersweg, recht tegenover een pompstation en vlak bij een driesprong met verkeerslichten. Daar is veel te zien. Hoe mensen de laatste seconde van het oranje proberen te pikken en dan door rood rijden, hoe vooral veel scooteraars de fietsers verdringen, hoe automobilisten die linksaf willen kans zien de rechterfile te passeren, een stukje stoep pikken en dan op het nippertje hun manoeuvre afronden. De laatste tijd is er een gewoonte bijgekomen. Dit pompstation ligt aan de binnenbocht. Het licht springt op rood. Geen nood. De scooteraar geeft vol gas en raast rakelings langs de tankende klanten naar de vrije weg. Het is ook nog korter.

Destijds was ik redelijk bevriend met professor B.V.A. Röling, die rechter is geweest in het militair tribunaal dat de Japanse oorlogsmisdadigers heeft berecht. Hij wordt ook beschouwd als de grondlegger van de Nederlandse polemologie. Eens in het kwartaal ging ik bij hem op bezoek. We praatten over de lopende zaken en koetjes en kalfjes. Hij sprak zacht en bedachtzaam. Op een keer zei hij peinzend: „Vind je het niet vernederend dat mensen rode lichten nodig hebben om te verhinderen dat ze tegen elkaar rijden?”

Dat was eind jaren vijftig toen we hier van parkeermeters zelfs nooit hadden gehoord. Ik vond wel dat Röling gelijk had, maar dat hij de menselijke rede overschatte.

Intussen zijn we gewend geraakt aan het tijdvak van de digitale beschaving. Misschien zou je denken dat je op de digitale snelweg niet kunt dringen, geen materiële schade kunt aanrichten. Een gevaarlijke vergissing. De dringende mens heeft zich snel aangepast. De methoden zijn radicaal veranderd, de resultaten horen nog steeds tot dezelfde orde.