Hoe voelt u zich nu?

Hoe voelt u zich, na deze verpletterende/teleurstellende/verheugende verkiezingsuitslag? Deze vraag, hoe afgezaagd ook, hebben we de afgelopen dagen weer vaak moeten horen. ‘Teleurstellend’, ‘verloren, maar niet verslagen’, ‘dankbaar’.

Wat was het antwoord geweest als we zo’n gevoelsvraag aan Napoleon, Stalin of Roosevelt hadden gesteld? Was dat antwoord wezenlijk anders geweest, of is er een universele geschiedenis van gevoel te schrijven? Dat er sprake van gevoel moet zijn, zelfs of juist bij de meest verstokte dictators, lijkt nogal voor de hand te liggen. Emoties zijn immers biologisch ingebakken.

Maar toch ligt het met dat gevoel niet eenvoudig. Over het vraagstuk van de waarneembaarheid van emoties in de geschiedenis is een heus debat, zo niet een controverse, ontstaan. Sinds een paar jaar verschijnen er allerlei historische studies die de ‘emotional turn in history’ postuleren. Die trend is aangezwengeld doordat historici (jaja) neurobiologische en neurolinguïstische studies zijn gaan lezen. En dan niet de gepopulariseerde kaskrakers van Antonio Damasio, maar echte Science-artikelen over de oorsprong van menselijke emoties. Daarin gaat het over neurobiologische processen, over de activering van de amygdala, en over de vertaling van die impulsen in gevoelens, waarneembare en meetbare sensaties in en aan het lichaam.

De grote vraag is of die emoties biologische constanten zijn: door tijd en eeuwen heen op dezelfde wijze gegenereerd. Of kunnen we beter spreken van een ‘affectief potentieel’, dat zich pas via allerlei cultureel bepaalde mechanismen in emoties vertaalt? Je voelt iets toch pas echt, als je er ook uitdrukking aan kunt geven, of het tenminste een plaats kunt geven?

William Reddy is één van de historici die inderdaad van mening zijn dat er een soort reservoir bestaat van politiek correcte emotives dat bepaalt hoe en wanneer lichamelijke sensaties als emoties worden herkend en uitgedrukt.

Dat geldt voor emoties als eer, schaamte en trots. Maar ook zeer primaire gevoelens als pijn en angst zijn relatief. Want de pijngrens schijnt vroeger – of tenminste in tijden van conflict en oorlog – hoger geweest te zijn. Want bij een verhoogd niveau van stress en cortisol wordt de pijn minder gevoeld.

Maar er zijn ook historici die denken dat kindersterfte anders werd ervaren in een context waarin aan het kind minder waarde werd toegekend en waarin zowel kindertal als kindersterfte hoog was. Daar staat dan weer het negentiende-eeuwse gedicht van Poot tegenover, Op de dood van mijn dochtertje. Spreekt daaruit minder verdriet dan nu?

Spannend wordt het als we het idee omarmen dat er een ‘politiek correct emotioneel vocabulaire’ bestaat en dat dat kan veranderen. Voor de Oude Romeinen was beheersing een deugd. Emoties waren voor het plebs.

De manier waarop de emoties worden gestimuleerd, uitgedrukt en dus ook gevoeld, kan uiteindelijk óók een manier van machtsuitoefening zijn. De Russen zullen bijvoorbeeld, net als wij, wel eens bang en onzeker zijn in deze tijden, maar daar wordt dat gevoel ingelijfd in de staatsemotie van trots, strijd, overwinning, en intolerantie tegenover twijfel.

En neem onze omgang met terrorisme. Het discours van redelijkheid, tolerantie, begrip en inlevingsvermogen heeft gezelschap gekregen van ruwe straattaal (‘rot toch op’), onverschilligheid (‘dan sneuvelen ze maar’) en welhaast middeleeuws-metafysische termen (‘u importeert het kwaad’). Je kunt precies nagaan wanneer en hoe die categorieën zich de afgelopen jaren in het politieke debat hebben genesteld – en ook waarom.

We weten dat spiegelneuronen zorgen voor empathie, affect over de grenzen van tijd en plaats heen. Het mobiliseren van gevoelens is van alle tijden. De Oude Grieken hadden het al over de pathos die een goede redenaar wist op te wekken onder zijn toehoorders. Over hoe massahysterie ontstaat, wanneer ethos en pathos ineenvloeien en de logos verdringen. Op dat snijpunt gebeurt het immers: dat lichamelijke sensaties zich in collectieve bewegingen of zelfs politieke handelingen vertalen – en omgekeerd.

Maar de Amerikaanse historica Lynn Hunt denkt bijvoorbeeld dat we met de opkomst van de moderne roman rond het begin van de 19e eeuw empathischer zijn geworden, en gevoeliger voor de rechten van de ander.

Zou ook het omgekeerde waar kunnen zijn: dat we gevoelsarm kunnen worden, en dat ons reservoir aan emotives indroogt? Bijvoorbeeld omdat gevoelens nog maar in 140 tekens mogen worden uitgedrukt? Het moet mogelijk zijn bepaalde emoties politiek of sociaal buiten de orde te plaatsen, af te keuren en daarmee onvoelbaar te maken – zoals, inderdaad, empathie voor de ander.

Van Napoleon weten we wel hoe hij zich voelde. ‘De dood is niets’, zou de grote veldheer in 1804 hebben gezegd, ‘maar dagelijks doodgaan is het om verslagen en eerloos te leven.’