Een wilde, woestbewegende Jansons

In zijn Antwerpse atelier vertelt Sam Dillemans over zijn werkwijze en hoe hij het portret van scheidend KCO-dirigent Mariss Jansons schilderde.

Mariss Jansons kreeg een portret geschilderd door Sam Dillemans van het KCO gisteravond bij zijn afscheid. Foto ANP Foto Olaf Kraak / ANP

Het dirigeerstokje van Mariss Jansons is gereduceerd tot een onopvallend streepje in de linker benedenhoek. Op het portret dat Sam Dillemans (50) schilderde van de chef-dirigent trekken andere zaken de aandacht: Jansons geconcentreerde gezicht, met open mond – dat met zulke dikke penseelstreken is opgebouwd dat het haast een sculptuur wordt. Maar ook de kaaklijn van Jansons, die doorloopt in de donkere achtergrond van het portret – Dillemans: „Onrealistisch, maar krachtig” – of zijn vooruitstekende hand, die door de kadrering van het werk haast uit het schilderij lijkt te komen.

In zijn Antwerpse atelier vertelde de Belgische schilder eerder deze week dat hij meteen wist dat hij geen schilderij zou maken met klassieke dirigeerattributen. „Een goed portret heeft dat niet nodig. Op mijn schilderij van Tsjechov plaatste ik ook geen pennenveren.”

Gisteravond kreeg Mariss Jansons het portret aangeboden na zijn afscheidsconcert met het Koninklijk Concertgebouworkest. Het werk zal opvallen tussen de realistische dirigentenportretten van bijvoorbeeld Bernard Haitink en Riccardo Chailly in de dirigentenfoyer van het Concertgebouw. Dillemans’ reusachtige, woest bewegende Jansons (194 cm x 140 cm) is met wilde, expressionistische verfstreken geportretteerd en zal letterlijk neerkijken op de concertgangers. Waar zijn werken hangen, houdt de schilder niet bezig: „Ik ga niet anders schilderen omdat dit een opdracht is. Een werk moet los staan van tijd en ruimte. Ik ben natuurlijk Rembrandt niet, maar als je Rembrandt op mijn toilet hangt zal dat nog altijd schitterend blijven.”

Het is niet onlogisch dat net Dillemans door Jan Raes, directeur van het Koninklijk Concertgebouworkest, werd gevraagd om een portret te maken. Twee jaar geleden exposeerde de schilder meer dan vierhonderd portretten van ‘authors’, creatieve geesten die hij openlijk bewondert, in het Belgische kasteel van Gaasbeek. Veel schrijvers, maar ook componisten en muzikanten, die zich volgens Dillemans hebben onderscheiden via hun werk, van Tsjechov tot Maria Callas. De werken in Gaasbeek waren meestal klein en schetsmatig, maar vaak is het werk van de Belg, zoals bij het portret van Jansons, een dikke verfbrij waarbij je enkele meters afstand moet nemen om een neusgat of oogkas te herkennen. In zijn thuisland wordt Dillemans gezien als een van de belangrijkste hedendaagse Belgische kunstenaars. In 2009, bij de opening van een expositie met zijn schilderijenreeksen over boksers en geliefden, moest een hele straat worden afgesloten. Voor de Antwerpse garage waar de expo plaatsvond, werden een bar en extra toiletten geplaatst om alle toegestroomde politici, kunstenaars en kunstliefhebbers te ontvangen.

Dat Dillemans buiten zijn landsgrenzen minder bekend is, komt misschien door zijn maniakale werkethos dat weinig tijd of ruimte laat voor publieke verschijningen. Afgelopen zomer liet David van Reybroeck in het tv-programma Zomergasten een fragment zien uit de documentaire De waanzin van het detail. Hierin zie en hoor je Dillemans in zijn atelier, boksend – zijn dagelijkse fysieke training – maar vooral schilderend, alsof de dood hem op hielen zit. Van Reybroeck wilde het in Zomergasten hebben over hoe je als kunstenaar altijd de lat zo hoog mogelijk moet leggen.

In de documentaire vertelt Dillemanshoe hij nog steeds in paniek kan raken van een werk van Rembrandt of Van Gogh, hij moet nog zo veel schilderen als hij ooit dat niveau wil halen. Dat perfectionisme herkent hij ook bij mensen als Jansons.

In zijn Antwerpse atelier herhaalde hij deze week tientallen malen hoe belangrijk bijvoorbeeld het naschilderen van klassieken voor hem was. „Ik heb mij in mijn jeugd bijna blindgetekend. Je moet de loopgraven in. De twintigjarige Johann Sebastian Bach wandelde ooit honderden kilometers te voet naar Lübeck om er in de leer te gaan bij organist Buxtehude. Als de grote Bach al teruggaat naar de bron, dan moeten de minder groten dubbel zo hard hun best doen, en de nog iets minder groten zes maal, en de nog iets minder groten… U begrijpt het wel.”

Enkel door zijn oefening kan Dillemans nu vrij werken, vertelt hij, en kon hij het portret zo vlot maken. Hij selecteerde redelijk snel enkele foto’s die volgens hem geschikt waren. Eerst schilderde hij een kleiner werk, zoals wel vaker bovenop een bestaand kinderportretje dat hij op een rommelmarkt op de kop had getikt. Tussen de dun aangebrachte verf schemerde hier nog het kitscherige origineel door; in Jansons neusvleugel was bijvoorbeeld een kinderoog te herkennen. Dillemans: „Maar toen voelde ik de behoefte om iets anders te doen; iets monumentaals en majestueus.” Op een groot wit doek waar hij eerder borstels en penselen aan had afgeveegd, begon hij opnieuw. De schilder had geen richtlijnen meegekregen, dus leverde hij uiteindelijk dit tweede werk in.

In het karakter van de personen die hij portretteert is Sam Dillemans absoluut niet geïnteresseerd. „Ik hoef hun privéleven niet te kennen. In ons privéleven lijken we allemaal op elkaar, we hebben allemaal wel eens zin in een glaasje of zijn op zoek naar een partner. Het onderscheid ligt in het werk wat mensen maken. Er hebben veel mensen zoals Mozart geleefd, maar er is maar één Mozart.”