De VS eisen zelfs toegang tot de data in Ierland

De internetacties van Rusland en China sporen met Amerikaanse pogingen om munt te slaan uit het feit dat onze telecominfrastructuur door de VS wordt beheerd, aldus Evgeny Morozov.

De recente berichten dat China nog meer beperkingen heeft opgelegd aan Gmail, het e-mail-vlaggenschip van Google, mogen niet echt als een grote verrassing komen. Weliswaar hebben de Chinese gebruikers nu al enkele jaren geen toegang tot de website van Gmail, maar dankzij een aantal derde partijen als Outlook of Apple Mail konden ze toch voor een groot deel de functionaliteit ervan gebruiken.

Deze maas in de wet is nu gedicht – zij het tijdelijk, want op geheimzinnige wijze lijken de nieuwe beperkingen deels ook weer te zijn opgeheven. Waardoor de Chinese gebruikers zich noodgedwongen van geavanceerde omzeilingstrucs bedienen. Als alternatief kunnen ze ook gewoon overstappen op de diensten van binnenlandse Chinese bedrijven, zonder dit soort acrobatiek uit te halen. En daar is het de Chinese overheid nu juist om te doen.

Dergelijke verstoringen van de Gmail-functionaliteit, op korte en lange termijn, zijn onderdeel van de blijvende Chinese pogingen om de eigen technologische soevereiniteit te beschermen door de afhankelijkheid van Amerikaanse communicatiediensten onder de burgers te verminderen.

Nadat Noord-Korea digitaal zo goed als afgesneden was na de rel over de film The Interview – waarbij er amper bewijs was dat dit land daadwerkelijk iets met de hack bij Sony te maken had – zal het concept van de technologische soevereiniteit wel een van de belangrijkste en meest omstreden doctrines van 2015 worden.

En het gaat niet alleen om de Chinezen: ook de Russische overheid heeft eenzelfde agenda. Een nieuwe wet die afgelopen zomer in werking is getreden, behelst de verplichting om de gegevens van gebruikers op te slaan op binnenlandse servers. Dit heeft Google al bewogen om al zijn technici uit Rusland weg te halen.

Het Kremlin wist onlangs Facebook zover te krijgen dat het een pagina blokkeerde die opriep tot protesten uit solidariteit met de aangeklaagde activist Alexey Navalny. Hieruit blijkt dat de overheid in hoog tempo haar toezicht herstelt op de digitale activiteiten van haar burgers.

Maar Google lijdt hiermee niet echt een mondiale nederlaag. Elders blijft het bedrijf groeien en bouwt het aan een communicatie-infrastructuur die zich veel verder uitstrekt dan diensten als e-mail.

Zo verkenden de Zuid-Amerikaanse landen plannen om iets te doen tegen de surveillance van de National Security Agency (NSA) met behulp van een eigen glasvezelring die hun afhankelijkheid van de VS zou verminderen, toen Google zijn portemonnee trok om een kabel van 60 miljoen dollar tussen Brazilië en Florida te bekostigen. De hoop bestaat dat deze de eigen diensten van Google voor gebruikers in Brazilië sneller zal kunnen maken.

Dit is een krachtig signaal dat wie zich uit de greep van het Amerikaanse tech-imperium wil losmaken een multidimensionale strategie moet hebben die is afgestemd op het gegeven dat Google inmiddels niet alleen maar een zoek- en e-mail-bedrijf meer is – maar ook het beheer voert over apparaten, besturingssystemen en zelfs het internet als zodanig.

Omdat Rusland en China niet bekend staan om hun steun aan de vrijheid van meningsuiting en vergadering, is het verleidelijk hun streven naar informatiesoevereiniteit te zien als een zoveelste poging tot censuur en toezicht. Toen de veel goedaardiger Braziliaanse overheid immers met het idee speelde om Amerikaanse bedrijven te dwingen de gegevens van gebruikers ter plaatse op te slaan – een idee dat uiteindelijk werd verlaten – werd ze alom beschuldigd van draconische overdrijving.

Maar Rusland, China en Brazilië reageren gewoon op de uiterst agressieve tactiek die door de VS wordt gevoerd. Op zijn bekende manier heeft Washington geen notie van zijn eigen daden, in de overtuiging dat er zoiets bestaat als een neutraal, kosmopolitisch internet en dat elke poging om hier iets aan af te doen tot een ‘Balkanisering’ zou leiden. Maar voor veel andere landen is dit helemaal geen Balkanisering – zij zien het immers alleen maar als een ‘de-Amerikanisering’.

Amerikaanse bedrijven spelen een dubbelzinnige rol in dit project. Enerzijds bouwen ze een doelmatige en zeer functionele infrastructuur die ook andere landen omvat en tot langdurige afhankelijkheden leidt die alleen met veel gedoe en kosten weer ongedaan te maken zijn. Zij zijn de echte instrumenten in dat wat nog rest van de mondiale moderniseringsagenda van Amerika.

Anderzijds mogen deze bedrijven niet zomaar als vertegenwoordigers van het Amerikaanse rijk worden gezien, vooral nadat de NSA-onthullingen van Edward Snowden duidelijk hebben aangetoond hoe hecht de band is tussen het Amerikaanse bedrijfsleven en de overheidsbelangen.

Deze bedrijven moeten dan ook voortdurend hun onafhankelijkheid bevestigen – zo nu en dan door hun eigen overheid voor de rechter te dagen – ook al lopen hun belangen in werkelijkheid meestal volstrekt parallel met die van Washington.

Dit verklaart de luidruchtige eis van Silicon Valley aan de regering-Obama om iets te doen aan het uitgebreide surveillance-apparaat: het kan zich niet veroorloven om hier als gecompromitteerde partij te worden gezien, anders zou de handel instorten.

Kijk maar eens naar de tegenslagen van telecombedrijf Verizon in 2014: door onzekerheid over de omvang van de gegevensuitwisseling tussen Verizon en de NSA, verbrak de Duitse overheid haar contract met het Amerikaanse bedrijf ten gunste van Deutsche Telekom. Een Duitse regeringswoordvoerder stelde: „De bondsregering wil meer technologische soevereiniteit herwinnen en daarom werkt ze liever met Duitse bedrijven.”

Maar om de volle omvang te begrijpen van de Amerikaanse schijnheiligheid over het vraagstuk van de informatiesoevereiniteit, hoeven we alleen maar te kijken naar het doorlopende gekibbel tussen Microsoft en de Amerikaanse overheid. Het gaat over de inhoud van bepaalde e-mails – van belang voor een onderzoek – die zijn opgeslagen op de servers van Microsoft in Ierland. De Amerikaanse aanklagers houden vol dat ze die inhoud van Microsoft kunnen krijgen door er gewoon beslag op te leggen. Alsof het geen verschil maakt dat de e-mail in een ander land is opgeslagen.

Normaal gesproken zou Washington een complex juridisch proces moeten doorlopen om er de hand op te leggen, met inachtneming van de bilaterale verdragen tussen de betrokken overheden. Maar nu wil het alles omzeilen en de verwerking van dergelijke gegevens behandelen als een zuiver lokaal vraagstuk dat geen internationale consequenties heeft. De gegevens bevinden zich in cyberspace – en cyberspace kent geen grenzen!

De redenering van de overheid is dat de kwestie van de opslag niet relevant is; relevant is de toegang tot de inhoud , en die is toegankelijk voor de medewerkers van Microsoft in Amerika. Microsoft en andere tech-reuzen dagen de Amerikaanse overheid nu voor de rechter, tot dusver met weinig succes, terwijl de Ierse regering met een handvol Europese politici achter Microsoft staat.

Kort gezegd houdt de Amerikaanse overheid vol dat ze toegang tot gegevens dient te hebben ongeacht waar deze opgeslagen zijn, zolang ze door Amerikaanse bedrijven worden beheerd. Stel u de verontwaardiging eens voor als de Chinese overheid toegang zou eisen tot gegevens die via producten lopen die zijn gemaakt door Chinese bedrijven als Xiaomi of Lenovo, ongeacht of hun gebruikers in Londen of New York of Tokio zijn.

Let op het verschil: Rusland en China willen toegang kunnen hebben tot gegevens afkomstig van hun burgers op hun eigen bodem, terwijl de VS toegang willen tot gegevens afkomstig van iedereen en overal, zolang ze worden beheerd door Amerikaanse bedrijven.

Washington verzet zich tegen de pogingen van andere landen om een zekere mate van technologische soevereiniteit te herwinnen, maar zal vermoedelijk op dezelfde problemen stuiten die het al heeft ervaren bij de promotie van zijn vage ‘internetvrijheid’.

Daden zeggen meer dan woorden. Retorisch is het heel lastig om tegen digitale surveillance en online beïnvloeding van overheidswege in Rusland, China of Iran te zijn als de Amerikaanse overheid zich daar waarschijnlijk nog meer mee bezighoudt dan al die landen samen.

Wat ook de drijfveer is achter hun pogingen om meer zeggenschap over hun digitale eigendommen te krijgen – en alleen naïevelingen zouden geloven dat ze niet worden gedreven door zorgen over binnenlandse onrust – de daden van Rusland en China zijn evenredig met de agressieve pogingen van Washington om munt te slaan uit het feit dat onze communicatie-infrastructuur voor zo’n groot deel door Silicon Valley wordt beheerd.

De internetvrijheid van de een is voor de ander internetimperialisme.