De oorlog in Hermine

Hermine Landvreugd (47) schrijft kinderboeken én doet aan de krachtsport deadliften. In 2012 won ze de wereldtitel. Op ons verzoek beschreef ze hoe ze die twee uitersten combineert.

Foto Jasper Juinen

I k google RAF-sergeant Ann Thomas, zesvoudig deadlift-kampioene, mijn grote concurrent in de open klasse tot 63 kilo. Een ginger met sproeten, ze staat lachend op een foto, in een te ruim grijsblauw legeruniform. Met satellietview zoom ik in op de wedstrijdlocatie. Het Innovation Centre in het Britse Telford. Gele bakstenen en een glazen gevel. Ik zie een gymzaaltje voor me, zeil op de vloer.

In Nederland heeft geen hond interesse, maar in Engeland is powerliften populair. De prijsuitreiking: ik op het erepodium, op nummer 1, grijns niet van mijn gezicht te slaan. Gold! ‘English Rose’ Ann Thomas heeft tranen in haar lichte wimpers. Haha! Juni 2015, RAF sergeant is going down!

Mayday! Mayday!

In mijn keuken oefen ik handstand-push-up. Langzaam zak ik door mijn armen. Mijn kruin raakt het bovenste van het stapeltje boeken: Harry Potter en de Steen der Wijzen. Elke week haal ik een boek weg. Tot ik de grond zal raken.

Ik kijk in de spiegel. Mijn God, ik kan blijven kijken, van voren, van de zijkant. Ik maak een klassieke bodybuild-pose. Aaah! Wat een deltoids heb ik!

When do you have time to train weights?”, vraagt mijn Aussie vriend Wayne. Hij legt zijn wollen pet op de balie in de sportschool. Wayne is schrijver, voormalig profbokser en avonturier. Hij is, gok ik, een jaar of zestig, afgetraind, klein. Wayne zeurt nooit over de nekblessure die hij heeft opgelopen toen hij, flink in de olie, ergens in Zuid-Amerika, ’s nachts een metersdiep gat in fietste. Hij heeft een vechtershart, de dood of de gladiolen, daarom mag ik hem graag.

Wel vreemd is dat hij zijn wenkbrauwen epileert. Je bent bokser! Goudzoeker! Berenjager! Geen wijf! Period. Als Wayne alleen maar schrijver was, had ik er geen probleem mee, al epileerde en onthaarde hij zich een versuffing. Soms trainen we samen. Het liefst train ik in mijn eentje, ’s ochtends, voor de sportschool is geopend.

Als ik mijn fiets tegen de muur zet, naast de oude, witgeverfde houten voordeur, hoor ik Paul binnen al zingen. Ik heb een sleutel, omdat ik bardiensten draai. Paul, oud-worstelaar, werkt er al meer dan twintig jaar. Het is koud buiten, ik leg mijn >> >> wanten op de bar.

„Fris, Chris” grinnikt Paul.

„Koel, Roel, zeg ik, „koud, Wout.”

Dat grapje maken we al jaren. Verder zeggen we niets. Paul heeft afasie als gevolg van een hersenbloeding. En ik wil gewichten omhoog knallen.

In de zaal ruikt het lekker vertrouwd, naar oud zweet. De Olympische barbell – 2.20 meter – met de zware schijven ligt klaar op de blauwe mat. Het gewicht leeft. Het is een log maar listig ijzeren monster van honderdvijfenvijftig kilo. Ik praat tegen hem, luid: „Wie denk je dat je bent, mafkees. Jij kan mij niet de baas.”

Paul let er niet op. Hij loopt met een bruine emmer naar de voorraadkast, haalt daar de citroendrankjes voor in de koelkast achter de bar. Daarna maakt hij neuriënd sudoku’s tot de sportschool opengaat. Hij was ooit derde op de wereldkampioenschappen worstelen.

Ik hou van sport die je in je eentje doet. Oersporten: krachtsport, vechtsport. Joggen, een miljoen Nederlanders doen het, is een drollensport. Gezellig in je roze clima-cool-legging met je vriendinnen meedoen aan de Libelle-Leontien- 5-kilometerrun! Krachtsport is niet gezellig, krachtsport is oorlog.

‘B ent u de schrijver?” Het jongetje rent enthousiast schreeuwend de gang door. „Juf! Juf! De schrijver is er! De schrijver is er!”

Af en toe lees ik voor op een basisschool. Die dag vlakbij huis, in Oud Noord. Omdat ik drie keer per week achterkant deltoids train, zitten de mouwen van het grijze H&M-colbertje krap.

Het ruikt in elk klaslokaal naar allesreiniger en naar een piepklein beetje vrijheid, naar aarde en gras. Ik ben te laat. De schoolbel is allang gegaan. Een moeder met een grote, hijgende, kwijlende zwarte mastino stond voor de schooldeur te roken en te praten met een kennis. Verdomme, ik ben bang voor vechthonden. Nooit recht in de ogen kijken, heb ik geleerd, dan worden ze agressief. Ik wachtte tot ze het beest op de achterbank van de Toyota had gedirigeerd, haar peuk in de goot gooide, en wegreed.

De kinderen zitten keurig in een halve kring om mij heen. De juf – jaar of vijftig, kort geknipt grijs haar, blauwe, wijde tuniek, MS Mode, schat ik – let scherp op. „Stoel op vier poten!”, waarschuwt ze een meisje met blonde krullen dat lekker zit te wiebelen.

Ik lees de eerste bladzijden uit Kalle: een dikke cowboy wordt opgegeten door de Killer-cactus. En de ontsnapte boef wordt gezocht door de politie in een helikopter.

„Ik ben die boef!”, schreeuwt een Surinaams jongetje. Hij laat zich van zijn stoeltje zakken, kruipt onder een tafel, en begint te schieten: „Trrrr! Tatatata! Beng, Peng!”

„Ga zitten!”, roept de juf. „Zitten, Marvin! Onmiddellijk! Wat hebben we afgesproken! Er wordt niet geschoten op elkaar! Nu zitten! Of je gaat op de gang!”

Mijn schouders lijken te groeien, per seconde, alsof ik de hulkin ben, ik krijg het benauwd. Ik hoor de naden van mijn colbertje scheuren. Mijn slapen kloppen. Ik wil weg hier. Ik ben liever ook de boef, zet mij maar op de gang, weg bij die juf, sowieso zijn er teveel juffen op basisscholen, juffen met slappe billen onder wijde tunieken die nodig moeten squatten – nee deze kinderboekenschrijver is niet netjes en niet beleefd, deze kinderboekenschrijver wil óók niet in de buurt van kinderen zijn die netjes rechtop zitten, val van een klimrek, of ga allemaal jullie moeder vervelen.

Illustrator Shamrock en ik staan met Kalle op de tiplijst van de Kinderjury. Natuurlijk wil ik winnen, maar kinderjury’s hebben niets met endorfine en testosteron te maken. Van alleen al denken aan zwaar ijzer krijg je die trek, die cravings, als een junkie die wil scoren, hetzelfde beloningssysteem in de hersenen wordt erdoor geactiveerd.

De volgende dag koop ik kwark en eieren bij de Dirk. „Boekenjuf!” hoor ik een meisjesstem. „Mam, daar heb je Boekenjuf! Die las in mijn klas voor uit een boek!”

Verdomme! Wat krijgen we nu weer!

Bij de diepvriesafdeling zie ik een klein meisje, Uggs met gouden lovertjes, ze trekt aan de jas van haar moeder. Voordat die in mijn richting kijkt, ben ik al bij de kassa.

„Die las voor uit een boek.”

Ja, waar anders uit? Dat wordt geen hoge Cito-score, denk ik vals. Ik ben geen Boekenjuf. Ik ben Potige Smurf. Moet je nooit naar wijzen, naar Potige Smurf. Wordt ‘ie agressief van, wist je dat niet, hop, eieren in de fietstas, ik scheur onder de balustrade door, wegwezen. <<