Bestaat die rokende aspirant-jihadist wel?

Hoe betrouwbaar zijn journalisten eigenlijk zelf? Altijd maar politici en anderen de maat nemen, als ware „integriteitspaparazzi” (dixit Christaan Weijts), maar zelf wegduiken achter de brede rug van het maatschappelijk belang – is dat niet te makkelijk?

Sinds de ophef over Trouw-journalist Perdiep Ramesar, die volgens onderzoek volop sjoemelde en fantaseerde in zijn verhalen, liggen alle journalisten nog meer onder dat vergrootglas. Op Twitter jagen zelfbenoemde Googlespeurders – is ook leuk, natuurlijk – driftig op meer bedriegers en fantasten.

Ook bij NRC Handelsblad?

Recentelijk kwam een uitgebreide klacht binnen over een reportage van verslaggever Andreas Kouwenhoven over een jonge moslim die snakte naar het kalifaat en zei naar IS te willen vertrekken (Ik wil vechten voor een land dat is zoals Allah bedoelt, 18 oktober 2014). Een indringend verhaal. De 24-jarige vertelde – onder een schuilnaam – welk werk hij deed, waar hij naar school was gegaan en wat hij wilde: weg naar IS. Het stuk gaf een beklemmend inkijkje in de gedachtenwereld van een jonge jihadsympathisant.

Of niet? Een groep twitteraars die zich Moslims in Dialoog noemen, reageerde meteen al, zogezegd, ongelovig op het stuk. Welke aspirant-jihadist die van plan is zich bij IS te voegen, gaat dat in geuren en kleuren, met zoveel persoonlijke details, aan de grote klok hangen? Met het risico dat binnen een etmaal politie en justitie voor de deur staan?

Op zichzelf een goeie vraag.

Anderzijds, mensen overzien wel vaker de gevolgen niet van hun publieke uitlatingen. Als dat al opgaat voor mediagetrainde politici als Rutte of Zijlstra (in de kwestie over hun partijgenoot Verheijen), waarom dan niet voor iemand die nog nooit met andere dan ‘sociale’ media in aanraking is gekomen?

Maar er waren ook concrete twijfels: de jongen had een schuilnaam, was inmiddels onvindbaar op Facebook, hij sprak de verslaggever in een café, hij rookte (mag niet van IS). En hij zou, in 1999 op de havo hebben gezeten, al was de 24-jarige volgens het verhaal toen, nagerekend, nog maar negen – onmogelijk.

Aantijging: de verslaggever had het hele verhaal uit zijn duim gezogen. Ongetwijfeld, moet je dan kennelijk denken, om de islam zwart te maken.

Spoiler alert: het is niet zo, de verslaggever heeft het stuk niet verzonnen. Uiteraard niet, zou ik zeggen.

Hoe gaat de krant dan met zo’n radicale aantijging om?

Allereerst: die hoeft er niet op in te gaan. De krant beschermt bronnen, en klagers zijn geen officieren van justitie. Zeker niet als ze, zoals deze club, een agenda hebben: het ‘anti-islamklimaat’ in de media bestrijden. Maar ja, in het post-Perdiep-tijdperk is zo’n stoïcijnse houding moeilijk vol te houden en in elk geval verdienen serieuze vragen natuurlijk een antwoord, eigen agenda of niet.

De hoofdredactie heeft de zaak dus en detail met de verslaggever en met mij doorgesproken. Het contact met de jongen – er waren twee gesprekken, één in aanwezigheid van een getuige – is door de verslaggever uitgebreid gedocumenteerd. Altijd raadzaam. Hij kent diens echte naam, heeft een telefoonnummer, bewaarde prints van Facebook en sms-berichten en bonnetjes van het café. Na de klacht volgde een derde, telefonisch contact met de jongen, die het verhaal nog eens bevestigde. Hij was niet uitgereisd, maar nu wel benaderd door de politie en zijn baan kwijtgeraakt.

Maar je kunt je afvragen: sprak de jongen zelf de waarheid, of overdreef hij?

Je moet er in het algemeen op kunnen vertrouwen dat wat mensen je over hun biografie vertellen waar is. Maar dat spreekt minder vanzelf op de rand van de wet. Eerder bleek bijvoorbeeld het verhaal van een asielzoeker in de krant op leugens gebaseerd: hij had in Duitsland geen eigen bedrijf gehad, zoals hij zei, maar daar in de bak gezeten.

In dit geval is er geen reden te twijfelen aan de biografische feiten. De school bevestigt tegenover de verslaggever dat de jongen daar zat en dat er toen al zorgen leefden om zijn radicale opvattingen.

De verslaggever vraagt zich achteraf wél af of hij enkele feiten niet beter had kunnen weglaten. Want zo’n verhaal wordt sterker met veel details, maar de krant moet een bron kunnen beschermen. Waar de jongen naar school was gegaan, had bijvoorbeeld vager kunnen blijven.

En hoe zit het met die leeftijd op de havo? Ook dat was geen verzinsel, maar een fout bij het schrijven van het stuk.

Als dit voorbeeld iets duidelijk maakt, is het dat de krant gevoelige verhalen maar beter kan dubbelchecken voor publicatie en alle documentatie moet bewaren, zoals nu ook gebeurde. Wantrouwen jegens de mainstream media is een bloeiende huis-, tuin- en keukenindustrie.

Een ander voorbeeld van gevraagde, of opgeëiste transparantie. De krant bracht een uitgebreide next checkt over de schade die Feyenoordhooligans hadden aangericht in Rome (Liep de schade in Rome echt in de miljoenen? 24 februari). Het schadebedrag bleek, volgens speurwerk van Wilmer Heck en Tom Vennink, beduidend lager uit te vallen dan de miljoenen euro’s die in de Italiaanse media de ronde deden.

Maar: Wilmer Heck is zelf Feyenoordfan (tien jaar seizoenskaart, Vak E) en was ook in die hoedanigheid, in zijn vrije tijd, aanwezig bij de wedstrijd in Rome. Hij maakte de rellen mee en deed daar in nrc.next verslag van, onder de vermelding „next-redacteur en fan”.

Daar werd hij op aangesproken: was hij de schade aan het „goedpraten”?

Nee, helemaal niet, zegt Heck zelf – hij is in de eerste plaats journalist, al vond hij het zelf „niet ideaal” om die next checkt te doen. Ik ook niet, al is het maar om de schijn van partijdigheid te vermijden. Maar hij had er wel met zijn neus bovenop gestaan. Cruciaal: hij en Vennink gebruikten louter openbare bronnen, hun rekensom is voor iedereen verifieerbaar. Daar gaat het om.

Het belangrijkste is, dat de krant de berichtgeving kan rechtvaardigen – en dat kan bij de aspirant-jihadist van Kouwenhoven en bij de hooligans van Heck.