Afgebrand door eigen bewoners

Teotihuacán was aan het begin van onze jaartelling de machtigste stad van Mexico. In 550 na Chr. werden de paleizen en tempels in brand gestoken. Een archeoloog verklaart die woede-uitbarsting uit spanningen tussen heersers en handelselite.

De tempel van de maan, één van de piramides in de Mexicaanse ruïnestad Teotihuacán. Foto Getty Images

Teotihuacán is even imposant als raadselachtig. Aan de 2,5 kilometer lange Weg van de Doden liggen enkele van de grootste tempelpiramides van de Nieuwe Wereld. Toen de Azteken in de 14de eeuw vijftig kilometer naar het zuidwesten hun hoofdstad stichtten – Tenochtítlan, nu Mexico City – waren deze tempels en paleizen al lang ruïnes. De Azteken gaven de oude indiaanse stad zijn naam, Teotihuacán, Nahuatl voor ‘plaats waar de goden zijn geboren’, en maakten er een bedevaartsoord van.

Hoe de stad heette toen hij werd gesticht, weten we niet. De eerste monumentale gebouwen werden een eeuw voor onze jaartelling opgetrokken. De indrukwekkende Piramide van de Zon werd in de tweede eeuw na Chr. gebouwd. Op het toppunt van zijn macht telde Teotihuacán 125.000-200.000 inwoners en strekte de stad zich uit over een oppervlakte van 20 vierkante kilometer. Daarmee behoorde het met Rome, Luoyang (China) en Constantinopel tot de grootste steden van de toenmalige wereld. Eeuwenlang was Teotihuacán het religieuze en economische centrum van Midden-Amerika, met handelscontacten en politieke invloed tot in de Mayasteden van Guatemala.

In brand gestoken

Archeologen hebben vastgesteld dat het centrum van de stad, met zijn rituele en bestuursgebouwen, in 550 in brand is gestoken. Alleen het centrum, niet de omliggende woonwijken. Er waren geen sporen van een invasie; het was een woede-uitbarsting van de bevolking tegen de heerserselite. De reden voor die revolte is nog steeds een raadsel.

De archeologe Linda Manzanilla, verbonden aan de Autonome Nationale Universiteit van Mexico (UNAM), doet al twintig jaar opgravingen in Teotihuacán. Zij kwam deze week met een hypothese in de Proceedings of the National Academy of Sciences. Volgens Manzanilla was de opstand een reactie op pogingen van de staat om de ondernemersactiviteiten van de handelselites van Teotihuacán te controleren.

Teotihuacán ligt in het bekken van Centraal-Mexico, een hoogvlakte omzoomd door vulkanen. In de eerste en vierde eeuw van onze jaartelling barstten twee van die vuurbergen uit, de Popocatepetl en de Xitle. Deze vulkaanerupties, schrijft Manzanilla, brachten volksverhuizingen op gang, onder meer naar het machtscentrum Teotihuacán. Dat werd al snel een multi-etnische stad. Zijn economie, gebaseerd op landbouw, handel en ambachten, bloeide dankzij vaklieden en werkers uit andere streken.

Zo groeide Teotihuacán uit tot een complexe samenleving met alle spanningen van dien, zegt Manzanilla. Migranten van elders vestigden zich in de periferie van de metropool, in vier verschillende wijken, die zich toelegden op verschillende takken van ambachtelijke bedrijvigheid, geconcentreerd in wijkcentra.

Deze centra werden bestierd door wat Manzanilla ‘tussenelites’ noemt, succesvolle ambachtslieden, die middengroepen gingen vormen tussen werkers en de heerserselite. Zij organiseerden de aanvoer van grondstoffen en arbeidskrachten. Zij zorgden ook voor verkoop van in de wijkcentra vervaardigde luxe goederen, zoals katoenen kleding, bewerkte stenen en hoofdtooien. Die wijken concurreerden met elkaar, aangevoerd door deze middengroepen. De groeiende economische macht en het maatschappelijk aanzien van die middenlaag, zegt Manzanilla, leidden tot aanvaringen met de heerserselite.

De heren van Teotihuacán, die paleizen bewoonden in het hart van de metropool, organiseerden de lange-afstandshandel in kostbaarheden als jade en rustten militaire expedities uit. Over die heersers weten we niet veel; er zijn in Teotihuacán geen koningsgraven gevonden. Manzanilla heeft eerder gesuggereerd dat de stad niet werd bestuurd door koninklijke dynastieën, maar door een consortium van vier heren, gerekruteerd uit de vier wijken van de stad. Maar het blijft gissen.

Manzanilla kreeg in de loop van haar onderzoek een steeds beter beeld van deze multi-etnische stad. Ze onderzocht tientallen lichamen op begraafplaatsen in verschillende wijken. Aan de hand van slijtage in de skeletten, grafgiften (bijvoorbeeld naalden), voedingspatronen en analyse van oud DNA ontdekte ze de verschillende herkomst van immigranten, hun specialisaties – zoals stenen bewerken of naaien – en hun sociale status.

In het zuidwesten van de stad woonden mensen uit het zuidelijke Oaxaca; in het oosten immigranten van de Golfkust, waar katoen werd verbouwd, grondstof voor de kleding van de heerserselite. In het westen woonden vooral immigranten uit Michoacán aan de Stille Oceaan, waar de zeevis vandaan kwam waarvan talloze resten zijn gevonden. In deze wijken vonden archeologen bewijzen van heel uiteenlopende begrafenisrituelen, maar ook goederen, als beeldjes en aardewerk, die wezen op onderscheiden streken van herkomst van de migranten.

Onderlinge spanningen

De ‘tussenelites’ in de wijken onderhielden handelsnetwerken via karavaanroutes naar de oost- en westkust. Met het verstrijken van de tijd ontstonden spanningen tussen deze ondernemers en de bestuurders van de stad.

Manzanilla: „De heerserselite wilde controle houden over alle natuurlijke hulpbronnen, niet alleen over de lange-afstandshandel. Een poging om de karavaanroutes en handelsnetwerken van de middengroepen over te nemen kan de druppel zijn geweest. In het jaar 550 kwamen de spanningen tot een uitbarsting toen een woedende menigte de rituele en bestuursgebouwen langs de Weg van de Doden in brand stak en beelden in de paleizen kapotsloeg, wat uiteindelijk leidde tot de ineenstorting van Teotihuacán.”

Volgens Manzanilla zijn er geen aanwijzingen voor een invasie van buitenaf.