Aanbiddelijk als een jonge hond

Joyce Roodnat

Over kunst en zetels. Frick & Mauritshuis. Kunsthart. Metropole Orkest & Oliver Nelson.

Na alle tamtam en twintig minuten in de rij valt het tegen. Is dit alles? Ja, dit is alles. Dit zijn de ‘Kunstschatten uit New York’ die het Mauritshuis in bruikleen kreeg van de befaamde Frick Collection. Zeker, er is een geweldig mannenportret van Memling. En die ene bruine-inkttekening waarmee Tiepolo vastlegde hoe iemand in 1758 even in gedachten verzonk. En de mollige armen van de Comtesse d’Haussonville zijn weergaloos geschilderd, Ingres kon niet anders. Maar eigenlijk zie ik vooral roze-wangenkunst. Er is gekozen voor de schattige plaatjes van de grote namen.

Omdat ik er toch ben, neem ik de eigen collectie van het Mauritshuis ook maar even mee. Daarvoor hoef ik niet in de rij.

Wat nou, Frick-expositie, denk ik daar. Hier is óók Anthony van Dijck te zien. En óók Frans Hals. Maar dan beter. En er is een minstens zo goed Memling-portret. En nog zo veel meer. Ik besef hoe verwend we zijn. Met Vermeers ‘Meisje met de parel’. Met zijn ‘Gezicht op Delft’ – misschien wel zijn mooiste. Dat vond althans Marcel Proust. Ik zie het en denk aan hoe hij het personage dat er in zijn À la recherche du temps perdu naar kijkt, ter plekke laat sterven. Of nekte hem de portie halfgare aardappelen die hij at voor hij op pad ging? Misschien. Maar de kern van de passage is dat deze man beseft hoe Vermeers schilderij hem overrompelt. En ook dat hij niet kan ontsnappen aan wat het voor hem betekent. Kunst geeft de doorslag, op leven en dood – dat is wat Proust lijkt te zeggen.

De gedachte dat ik gewoon in het Mauritshuis het schilderij zie waar in mei 1921 Prousts blik op rustte, jaagt kriebels over mijn rug. Nadat hij dit schilderij in Musée Jeu de Paume had gezien, is Proust nooit meer de deur uit gegaan, dat alleen al.

Kunst blijft, kunst beklijft. Kunst verbindt heden en verleden. En kunst is niet eenkennig. Iedereen kan komen kijken, luisteren, kletsen, wat dan ook. Iedereen mag er zijn voordeel mee doen. Of er in blijven, want zo machtig kan een kunstwerk zijn. Het kan een leven veranderen.

Dat is precies wat Wim Pijbes, Rijksmuseumdirecteur en gebombardeerd tot hoofdpersoon van de eerste akte van Kunsthart, probeert te zeggen tegen de voorzitster van de Fietsersbond. In dit theaterstuk over culturele troebelen in Nederland is de derde akte het spectaculairst. Daarin bekent premier Rutte dat hij graag door het Mauritshuis dwaalt. Ná sluitingstijd, zodat niemand het merkt. Want kunst en cultuur moet hij tot zijn spijt wegzetten als zaken die hem zetels kosten. Maar mijn hart ligt bij het deel met Pijbes. Sieger Sloot speelt hem geweldig. In zijn enthousiasme is hij aanbiddelijk als een jonge hond, en net zo opdringerig. Hij snapt niet dat niet iedereen op zijn minst wil probéren om van kunst te genieten. Wat heb je te verliezen? Hooguit dat je iets niet begrijpt. De mevrouw pleit Oost-Indisch doof voor een fietspad. Overdreven? Nou nee, zo ging het echt, schrijver Nathan Vecht ontleende veel aan de documentaire over het Rijksmuseum (van Oeke Hoogendijk, 2014). Na een driedubbeldoorgedraaid gesprek wurgt Pijbes de fietsmevrouw met zijn servet. Dat deed hij niet in die documentaire, maar ik begrijp hem wel.

Thuisgekomen lees ik dat de SGP van Overijssel de podiumkunsten uit het budget van de provincie wil schrappen. Ook de provinciale besturen van Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht bezuinigen nadrukkelijk op cultuur. Ze maken de indruk niet te weten wat ze schrappen en ook dat ze dat niet eens willen weten. Cultuur steunen kost stemmen, dat lijkt ook hier het uitgangspunt. Welnu, dachten ze link, dan zal níet steunen stemmen trékken.

Laat ze in die provincies over hun schaduw stappen en Kunsthart gaan zien. Ze zullen een mooie avond hebben. En op gedachten komen. Welke dan ook.

In een van die schraalhansprovincies, in Driebergen, installeer ik me in theater Maitland voor een zondagmiddagconcert van de bigband van het Metropole Orkest. Ze spelen een interpretatie van de klassieke jazzelpee The Blues and the Abstract Truth, uit 1961. Muziek met deinende heupen, het publiek blaakt van genot. Het arrangement voor de blazers naar een saxofoonsolo van Eric Dolphy is ademstokkend goed.

Tot slot horen we Oliver Nelsons ‘Miss Fine’: swing met lange halen. (Kek als The Nanny, van de tv -serie. Dat is mijn persoonlijke associatie. Niemand begrijpt hem. En toch mag het.)