5G: het netwerk voor bulldozers en pratende bomen

Het Zweedse Ericsson richt zijn pijlen op de nieuwe mobiele technologie, 5G. Een netwerk dat behalve mensen ook miljarden objecten verbindt. Het moet ons leven voorgoed veranderen.

Explosieve groei mobiele data

Pardon? „It’s OK to touch me. That feels good, do it again”, zegt de vrouwenstem nogmaals. Het zijn niet de woorden die je verwacht van een boom. De connected tree in de demonstratieruimte van het Zweedse technologiebedrijf Ericsson is volgehangen met sensoren die bewegingen waarnemen en doorgeven aan de computer. Raak je de bladeren aan, dan reageert de vrouwenstem.

Het is maar één voorbeeld van de manier waarop we in de toekomst alle denkbare objecten ‘intelligent’ maken en verbinden met een mobiel netwerk. De connected tree kan dienen als een gecamoufleerd inbraakalarm in de tuin, een seintje geven als de oogst dreigt op te drogen of de brandweer waarschuwen als er een bosbrand uitbreekt.

Volgens Ericsson, een van de grootste leveranciers van apparatuur aan mobiele netwerken, zijn toepassingen als deze over tien jaar doodnormaal. Slimme bomen, slimme auto’s, slimme álles. In de woorden van Ericsson-topman Hans Vestberg, begin deze maand op een telecombeurs in Barcelona: „Alles wat ervan profiteert om verbonden te zijn, zal verbonden worden. Dat zal mensen, bedrijven en onze hele maatschappij veranderen.” En het gaat Ericsson veranderen, verwacht hij.

Graafmachine als game

Om de data van miljarden objecten te verwerken wordt een nieuwe generatie mobiele netwerken ontwikkeld: 5G, oftewel techniek van de vijfde generatie. Op dit moment bellen, chatten en internetten we via 4G-netwerken, die al veel sneller en robuuster zijn dan voorganger 3G. Een verademing voor de smartphonegebruiker. We bekijken nu zo veel video’s onderweg, dat het wereldwijde mobiele dataverbruik afgelopen jaar met 55 procent groeide.

5G gaat nog een stap verder. Die technologie werkt met hogere frequenties, kan veel meer verbindingen tegelijk aan, is zuiniger, kan meer data doorgeven en heeft minder vertraging. Zo kun je bijvoorbeeld, zoals Ericsson demonstreert, op grote afstand een graafmachine besturen.

De proefopstelling voelt als een game: als bestuurder draag je een virtual reality-bril en een koptelefoon, via joysticks en pedalen bedien je de graafmachine van Volvo die duizenden kilometers verderop graait in echte Zweedse rotsblokken.

Zo’n first person drone lijkt een spelletje, maar de toepassingen zijn bloedserieus. Je kunt een bulldozer in een gevaarlijke mijn of een lekkende kerncentrale bedienen, zonder dat een mens risico’s hoeft te lopen. Of een arts kan op afstand een operatie uitvoeren via een robotarm, zonder dat de patiënt vervoerd hoeft te worden. Telechirurgie, ook op afgelegen plekken.

Met de virtuele graafmachine is het nog een beetje behelpen, de verbinding verloopt nog via een 4G-netwerk en dat heeft een vertraging van tientallen milliseconden. Te traag dus, legt Ericsson-medewerker Jon Gamble uit. „Je moet 360 graden-video in superhoge resolutie kunnen zien, zonder waarneembare vertraging. Het liefst stereografische beelden met 3D-geluid, zodat je ook signalen uit de omgeving hoort.” Dat levert een overvloed aan data op die in een paar milliseconden verstuurd moet worden.

5G is toekomstmuziek; er is nog geen standaardtechnologie afgesproken en het hele netwerk, van zendmasten tot de computersystemen, moet een stuk intelligenter zijn wil die brave new world van oplettende bomen en bulldozers zonder bestuurders werkelijkheid worden.

Het is de bedoeling dat rond 2020, tijdens de Olympische Spelen in Japan, het eerste 5G-net daadwerkelijk actief is. Waarom dan? Omdat nieuwe generaties netwerken doorgaans elke tien jaar hun intrede doen, sinds het eerste mobiele netwerk in 1981 begon. 3G was er rond 2001, 4G in 2012. Met die conjunctuur golven de toeleveranciers mee, van de ene netwerkgeneratie naar de andere.

Ericsson werkt samen met het Japanse NTT Docomo en heeft al een 5G-telefoon en een 5G-zender ontwikkeld. Dat is geen mobiele telefoon die je in je broekzak steekt: het manshoge gevaarte staat op een karretje en weegt honderden kilo’s. „Dat hoort bij prototypes”, legt Jon Gamble uit. „We werken met losse modules en die zijn een stuk groter. De eerste prototypes van een 4G-netwerk pasten amper in een bestelbus.”

Scandinavische trots

Ericsson (jaaromzet 25 miljard euro, opgericht in 1876) is niet het enige bedrijf dat 5G ontwikkelt. De hele branche werkt naar het magische jaartal 2020 toe. Met name Huawei, het Chinese netwerkbedrijf (jaaromzet 43 miljard dollar en opgericht in 1987) dat de Zweden evenaart als grootleverancier van netwerktechnologie. De Scandinavische trots is gekrenkt. Veelzeggend: bezoekers van de Ericsson-stand op het Mobile World Congress in Barcelona werden vriendelijk verzocht hun door Huawei gesponsorde naamkaartjes te vervangen door een Ericsson-exemplaar.

Chinese concurrentie zorgt voor prijsdruk en dat heeft de Europese telecomindustrie sterk veranderd. Europa mag dan tot 2000 toonaangevend geweest zijn bij de ontwikkeling van de GSM-standaard en 3G-netwerken, die leidende positie is verleden tijd. Nokia, Siemens en Motorola hebben hun netwerkdivisies samengevoegd. Samen met Alcatel-Lucent hebben ze nog altijd minder omzet dan Ericsson. Dat bedrijf is aan een reorganisatie bezig om zijn 118.000 medewerkers klaar te stomen voor het nieuwe 5G-tijdperk.

Typisch techneuten

Oudere, minder winstgevende onderdelen worden afgestoten. Het meest ingrijpend is dat de Zweden geen consumentenelektronica meer maken. De telefoondivisie ging in 2001 op in een joint venture met Sony en werd in 2012 geheel verkocht aan Sony. Dat schrapte in het afgelopen jaar al veel banen bij de telefoontak in Lund.

Nokia en Siemens stopten ook al met de productie van mobiele telefoons. Waarom maakten deze bedrijven überhaupt toestellen? Omdat ze alleen mobiele netwerkapparatuur konden verkopen als er telefoons waren die er gebruik van konden maken.

Jon Gamble: „Aan die telefoons kon je wel merken dat Ericsson een typisch techneutenbedrijf is. Wij maakten toestellen die prima werkten, maar we zagen niet hoe persoonlijk zo’n gadget was. Nokia zag dat wel; zij gaven de telefoons andere kleurtjes en waren beter in marketing.”

Nog een maatregel: vorig jaar verkocht Ericsson de tak die modems voor mobiele telefoons maakte. Dat was een joint venture met ST Microelectronics, een paar jaar daarvoor afgestoten door de Nederlandse chipproducent NXP. „Nu maken we helemaal niets meer voor de consumentensector”, zegt Gamble. Hij vindt het jammer, omdat het ten koste gaat van de naamsbekendheid. Concurrent Huawei daarentegen bouwt aan zijn imago met voordelige smartphones die nu de Europese markt veroveren.

Bijna 140 jaar maakte Ericsson telefoons. Het erfgoed staat uitgestald: het begon bij een houten telefoon, die oprichter Lars Magnus Ericsson schaamteloos kopieerde van Graham Bell. Daarnaast staat de eerste – enorme – mobiele telefoon en de eerste mobiele dataverbinding voor taxi’s.

Of een prototype tablet-pc uit 2000, een iPad avant la lettre. „Wij konden zo’n tablet bouwen, maar je kon er nog niets mee. Apple slaagde er wel in een markt te creëren”, zegt Gamble. Hij wijst naar een internetradio van Ericsson, gebouwd in een tijd dat er nog niet eens internetradiostations waren. Slechte timing? „Nou ja, we hebben in elk geval bewezen dat we vooruit kunnen kijken.”

Gamble verwoordt het treffend: technologie is weten hoe iets werkt, om er geld mee te verdienen moet je weten waarom het zo werkt. Vandaar dat Ericsson veel tijd besteedt aan consumentenonderzoek onder de circa 1 miljard mobiele bellers die gebruik maken van de Zweedse apparatuur. Tijdig trends en behoeftes signaleren is de basis voor de volgende generatie netwerken. Ericsson voorspelt voor 2020 een verdrievoudiging van het aantal mobiele dataverbruikers, tot 8,4 miljard.

Het Philips van Zweden

De Zweden maken zich klaar voor de volgende technologiegolf. Dat betekent ook: bezuinigen op bestaande activiteiten. De cijfers van afgelopen kwartaal vielen tegen omdat de verkoop van 4G-apparatuur in de belangrijke Amerikaanse markt kromp. De mobiele netwerken daar hebben de grootste investeringen achter de rug. Ericsson kondigde vorige week aan 2.200 banen in Zweden te schrappen. Dat hakt erin, want Zweden telt maar 17.500 Ericsson-medewerkers. De rest is verspreid over 180 landen, van wie circa duizend in Nederland.

Ericsson is voor Zweden wat Philips is voor Nederland. Aanjager van innovatie, overal aanwezig als merk, nationale trots. Zodra je uit het vliegtuig stapt, word je begroet door reclameposters over de ideale wereld volgens Ericsson: mobiele verbindingen verbeteren de medische zorg en het onderwijs, maken het verkeer veilig en het transport efficiënt. Iedereen gelukkig.

Het hoofdkantoor van Ericsson zit in Kista, een buitenwijk van Stockholm. In dit IT-centrum is het de grootste werkgever. Toch is er weinig te merken van de net aangekondigde ontslagronde. Er wordt volop geluncht en gelachen en in de Ericsson Studio, waar Jon Gamble zijn demonstraties geeft, kwetteren digitale vogeltjes uit het plafond. Een beetje kunstmatige natuur om de overdaad aan technologie te compenseren.

Ericsson heeft ergere crises meegemaakt. In 2001, na het barsten van de internetzeepbel, schrapte het concern 45.000 banen. Ericsson overleefde, maar een vetpot is het niet. Mobiele aanbieders verdienen minder aan data en zijn daarom extra zuinig als ze infrastructuur kopen.

Het draaiend houden van een netwerk is kapitaalintensief. YouTube en Netflix zorgen voor een explosieve toename van dataverkeer, veel mobiele netwerken ontwikkelen hun eigen tv-dienst of gaan samen met vaste breedbandaanbieders.

Netwerkinfrastructuur is in toenemende mate afhankelijk van software. Nog maar 25 procent van de inkomsten van Ericsson komt van hardware, de rest uit analyse- en beheersoftware. Die is nodig om de uitdijende datastroom in goede banen te leiden. Jon Gamble laat een praktijkvoorbeeld zien: een netwerk met 40 miljoen bellers die samen 135 gigabit per seconde verbruiken. Elke tel vinden 500.000 ‘gebeurtenissen’ plaats – een telefoon wisselt van zendmast, er wordt een sms verstuurd of een foto gedownload.

Het is moeilijk om regie te houden over zoveel bellende mensen in één netwerk. Laat staan dat straks, na 2020, ook miljarden machines en objecten vechten om bandbreedte in het internet of things. Als het 5G-netwerk hapert of verstopt dreigt te raken, wie krijgt er dan voorrang? De dokter die een patiënt opereert of de virtuele graafmachine? De zelfrijdende auto of misschien toch die connected tree?

Voor de techneuten van Ericsson is dat de kunst. Eén centraal systeem, brein zo u wilt, dat intelligent genoeg is om altijd de juiste beslissingen te nemen bij het uitdelen van rekenkracht, snelheid en bandbreedte. Of in ieder geval bijna altijd.