Column

Vrolijk Pasen

Ik fietste over de zonnige Vrijheidslaan toen mijn telefoon ging. Het was mijn favoriete nichtje. We spreken elkaar normaalgesproken minstens één keer per week, maar door vakanties, deadlines en wederzijdse algehele chaos was het opeens langer geleden. Zodra ik haar naam in mijn scherm zag, voelde ik pas echt hoe erg ik haar eigenlijk gemist had. Opgewekt nam ik op: „Heeeeeeeeee!” Het bleef even stil. „Sorry, ik bel niet met iets leuks. Ik was namelijk zwanger…” Het stoplicht bij het Victorieplein sprong op groen terwijl in mij alles op rood ging.

Ik luisterde naar haar treurige verhaal over ‘gestopt met groeien’, ‘levenloos’ en ‘afgestoten’ en was blijkbaar op de automatische piloot door gefietst, want ineens was ik al ter hoogte van de Reggestraat op de Churchilllaan toen ik merkte dat ik zo slap in mijn benen was geworden dat ik mijn trapper niet meer omlaag kreeg. Het voelde sowieso ineens ongepast om door te fietsen, alsof het voor mij belangrijker was om mijn schema niet in de war te laten brengen in plaats van te luisteren, te troosten en te steunen.

Ik zette mijn fiets op slot naast de banketbakker, tegen een bord waarop ‘Vrolijk Pasen’ stond. Om mezelf, bellend, een houding te geven, zette ik mijn voet op een paaltje aan de rand van de stoep. Na een tijdje wisselde ik van voet. En uiteindelijk ging ik maar op het paaltje zitten. Zij praatte, ik praatte. Het idiote is dat ik ondanks de akelige afloop tussendoor toch ook dacht: wat leuk dat zij, mijn eigen lieve nicht, een kindje zou hebben gekregen. Alsof mijn hersenen qua verwerking bij dat eerste gedeelte van de gebeurtenis waren blijven steken.

Ondertussen voelde ik aan de kramp in mijn maag dondersgoed dat er meer aan de hand was, iets heel akeligs, al klonk ze zo normaal. Natuurlijk zei ik alle clichés en shitdingen die je dan maar zegt omdat je het ook niet weet. ‘Hoop blijven houden’, ‘het gebeurt zoveel mensen’, ‘jij kan er niets aan doen’ of de ergste: ‘zo heeft het dan misschien moeten zijn’. Ik walgde van mijn eigen woorden. Ik walgde ervan dat ze het niet oplosten of ongedaan maakten. En ik walgde ervan dat ik vanaf dat hoekje, die willekeurige straathoek, toevallig precies uitkeek op blauwe neonlichten die aan de overkant van de straat het woord ‘Verloskundigen’ vormden. Door die lichten leek het alsof daar een stripclub zat, met een happy hour. Ergens was ik bang dat mijn nichtje door mijn ogen zou kunnen kijken en dat dat woord haar dan pijn zou doen. Daarom focuste ik me maar op de kleurrijke taartjes in de etalage van de banketbakker. Mijn billen werden koud van de stenen, mijn plaatsvervangende tranen verwarmden mijn wang. „Ik kan eigenlijk niets goeds zeggen”, zei ik nadat ik zo anderhalf uur had zitten praten. De zon was inmiddels weg. „Nee”, zei ze, „dat geeft niet.” We hingen op.

Bij de banketbakker kocht ik om onduidelijke redenen een zak paaseitjes.