Terug naar Smitsveen

Simone van Saarloos staat deze week haar plek af om samen met drie vrouwen ‘het melkwitte plafond’ in de media te doorbreken. Fatihya Abdi is politicoloog en werkte bij de VPRO als researcher. Momenteel doet ze een master European Union Studies aan Universiteit Leiden.

Ik heb nooit begrepen waarom je dood wilde gaan in de wijk Smitsveen te Soest. Het is een mistroostige jarenzestigwijk met veel hoogbouw waar veel nationaliteiten naast elkaar wonen. Het is de plek waar ik opgroeide.

Het was een grijze novemberavond. Ik liep van de Albert Heijn terug naar huis. De wandeling duurde acht minuten en je moest een roze, slingerend pad volgen dat ingesloten was door allerlei hoge flats. Toen ik bijna thuiskwam, zag ik voor de ingang een wit laken. Veel zwaailichten. Politiebusjes. Het merendeel van de buren stond voor hun deur in hun pyjama. Ze zeiden dat ze uit IJsselstein kwam. Ze was vanaf de zesde etage naar beneden gesprongen. Ze had speciaal een stoeltje meegenomen om over de reling te kunnen springen. Onze flat bestond uit zeven etages.

Voordat ik politicologie ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam had ik in mijn hoofd een romantische voorstelling gemaakt van de elite. Wijze mannen en vrouwen die in chique kleren poëzie aan elkaar voorlazen in rokerige salons en heftig discussieerden over allerlei politieke en maatschappelijke onderwerpen. Kritische denkers, de blik naar buiten.

De elite bleek voor het overgrote deel wit te zijn. Oud ook. En die blik naar buiten? Het reikte tot Toscane, de Verenigde Staten, maar daar bleef het wel bij. En ja, ze spraken over literatuur, filosofie, maar steeds dezelfde citaten van Nietzsche, Reve en hoe heet-ie ook alweer, o ja, Goethe, werden voortdurend gereproduceerd tot er niets van overbleef. Ik herkende me niet in de namen die ik hoorde op de universiteit of tijdens culturele avonden. Mijn heil zocht ik vervolgens bij auteurs die mij over de wereld brachten zoals bell hooks, Chinua Achebe, Clarice Lispector, Frantz Fanon en Francis Marrash.

Steeds maar die goedbedoelde vragen. ‘Je articuleert zo goed. Ben je soms geadopteerd?’ ‘Wat goed dat je naar de universiteit bent gegaan.’ ‘Wat vind jij van Ayaan Hirsi Ali?’ ‘Kun jij niet radicale moslims bekeren?’ Dat mensen vragen stellen verbaast me niet, vragen stellen mag uit een zekere interesse, maar dat ik voortdurend een andere Fatihya word in mijn eigen land, went nooit.

De ene dag ben ik Fatihya ‘de negerin’, op andere dagen ben ik Fatihya ‘de moslima’ en soms ben ik Fatihya, ‘de nieuwkomer’. Ik zie alleen Fatihya als Fatihya als ik wakker word. Wie ging de elite civiliseren?

Soms blijf ik terugverlangen naar Smitsveen. Ik leerde er meer over de wereld, en het leven in het algemeen, dan van de elite die ik tegenkwam in Amsterdam.