Stemmen, dat deed je vroeger áltijd

Meer dan de helft van de Nederlanders kwam woensdag niet opdagen bij de verkiezingen. Wat zegt dat over onze democratie?

Stemmen voor de Provinciale Staten in 1954, met in de rij wachtendenpremier Willem Drees (tweede van links); rechts: bord vanBond van Vrije Liberalen, verkiezingen 1918, in Amsterdam. Foto’s ANP en Hollandse Hoogte

Ruim negenduizend ingerichte stembureaus stonden klaar. Toch kwam ruim de helft van de kiesgerechtigden niet. Laat de beperkte belangstelling voor de Provinciale Statenverkiezingen zien dat er iets schort aan de Nederlandse democratie?

Onverwacht is het lage opkomstcijfer van woensdag – 47,5 procent – niet. De opkomst bij Statenverkiezingen ligt al sinds 1999 tussen de 45 en 50 procent. Ze zijn, in politicologisch jargon, second order-verkiezingen, zegt universitair docent politicologie Kristof Jacobs van de Nijmeegse Radboud Universiteit. Niet de belangrijkste verkiezingen van het land dus: „De nationale verkiezingen zijn first order.”

Sla de opkomstcijfers voor de Tweede Kamerverkiezingen er maar op na: rond de 75 procent. Daar, in Den Haag, maakt men keuzes die mensen financieel aangaan. Politicoloog aan de Vrije Universiteit André Krouwel: „Mensen beseffen dondersgoed dat de Statenverkiezingen minder raken aan de portemonnee.”

En toch: de opkomst van woensdag is liefst 9 procentpunten lager dan die bij de vorige Statenverkiezingen, in 2011. Bijna 56 procent stemde toen. Hoe kon dat dan? Jacobs: „Aan die verkiezingen kleefde een gevoel van nationale urgentie. Rutte I was net aangetreden. Gedoogd door de PVV. De senaat moest worden veroverd. De kiezer had invloed: voor of tegen rechts.”

Maar de Statenverkiezingen van woensdag draaiden toch ook om meerderheden in de senaat? „Jawel”, zegt Jacobs, „maar in de campagne bleek dat bijna geen enkele partij uit was op de val van dit kabinet. De verkiezingen waren nationaal, maar niet nationaal én urgent.” En bij gebrek aan urgentie wordt het steeds moeilijker kiezers naar de stembus te trekken.

Wie zijn dat eigenlijk, die thuisblijvers? Ze zijn vaker laagopgeleid dan hoogopgeleid, blijkt keer op keer uit politicologisch onderzoek. Volgens Krouwel hebben mensen met een hogere opleiding meer „politiek zelfvertrouwen”. Dat wil zeggen: zij zijn er eerder van overtuigd dat ze een weloverwogen besluit kunnen nemen. „Als mensen het idee hebben niet genoeg van de politiek af te weten, haken ze sneller af.” De verkiezingen van woensdag illustreerden dat treffend: al gingen kiezers met twee stempassen het stembureau in, sommigen lieten hun waterschapsstem alsnog onbenut. Een blik op het stembiljet leidde tot koudwatervrees: te veel onbekende partijen. Op Twitter verschenen foto’s van mensen die met het rode potlood dwars over het waterschapsbiljet woorden als ‘onzin’ of ‘geen idee’ hadden gekrast.

Er is nog een groep klassieke ‘bankzitters’: de jongeren. Politicologen noemen dat life cycle voting: pas op latere leeftijd hebben politieke beslissingen rechtstreeks invloed op je leven. Als je kinderen krijgt, heb je recht op kinderbijslag, bij een huis hoort een hypotheek. Voor jongeren spelen die serieuze financiële zaken nog niet. En dat maakt, zegt Krouwel, dat jongeren het zich kunnen veroorloven politiek radicaler te zijn. Voor veel jongeren is, zeg, protesteren een aantrekkelijkere politieke bezigheid „dan stemmen tijdens supersaaie verkiezingen”.

Niet stemmen, dat halen 65-plussers zich meestal niet in het hoofd. Zij groeiden op toen de opkomstplicht nog gold – in 1970 werd die afgeschaft. Tegen weigeraars werd streng opgetreden, weet historicus Ron de Jong van de Kiesraad. De burgemeester ontbood hen op het stadhuis en eiste een verklaring. Volgde een legitieme reden, dan kwam er geen sanctie. Anders kwam de kantonrechter eraan te pas. Die kon boetes opleggen – de hoogte ervan was afhankelijk van de verzuimreden. Deze praktijk erodeerde in de jaren zestig al, toen burgemeesters in grote steden stemweigeraars steeds vaker negeerden.

Directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau Kim Putters zinspeelde deze week bij BNR Nieuwsradio op herinvoering van de opkomstplicht. Zo ver wil Krouwel niet gaan, maar ook hij maakt zich zorgen. „Hoe minder mensen stemmen, hoe voorzichtiger politici moeten worden met hun claim dat ze ‘de Nederlanders’ vertegenwoordigen. Een lage opkomst vertekent de wil van het volk.”