Rebellie is nu moeilijk

In 1966 ging Jan Donkers als poprecensent aan de slag bij de Volkskrant, in 1968 stopte hij er al weer mee. ‘Ik besloot al na een paar jaar dat het maar eens afgelopen moest zijn met die popmuziek’, schrijft hij in Rock-’n-roll voorbij de midlifecrisis. ‘Ik wilde journalist worden, de wereld in, boeken schrijven, en je kon toch niet je hele carrière bouwen op iets wat voor kinderen was bedoeld?’ Toch wel dus. Het jaar daarop ging hij vrolijk verder met schrijven over popmuziek. Als radio-dj bij de VPRO en KX Radio was hij ook jaren later veel met pop bezig. Al bleef de twijfel knagen, zelfs nu nog.

Kindermuziek kun je pop allang niet meer noemen, zeker nu de jonge goden van toen bejaard zijn en nog steeds albums maken en optreden. Donkers citeert Rolling Stones-zanger Mick Jagger, die in 1964 zei dat het succes niet kon voortduren. ‘Ik geef de Stones nog twee jaar.’ Het liep anders: rock-’n-roll bleek een eeuwige jeugd te hebben. En het hoeft niet per se door jongeren gespeeld te worden. Het is volgens Donkers een misverstand dat popmuziek ‘het territorium van jongelui’ is. ‘Rock-’n-roll is allang niet meer de opstandige schreeuw van een jonge generatie in de richting van de ouderen.’

De nu 71-jarige Donkers schrijft het op en weinigen zullen hem tegenspreken. Hij beschrijft hoe rockers op leeftijd – Rod Stewart, Neil Young, Bob Dylan – omgaan met het ouder worden. Ze spelen nog en hebben geen zin om met pensioen te gaan. Zelf heeft hij er meer moeite mee: ‘Ouder worden is geen pretje’, heet een van de hoofdstukken. De dood werpt zijn schaduw vooruit nu hij steeds meer namen uit zijn adresboekje moet schrappen. Tot zijn eigen verbazing reist hij tegenwoordig mee op muzikale cruises waar Amerikaanse artiesten als John Hiatt en Lyle Lovett optreden, terwijl hij daar altijd tegen was: ‘Een cruise is net zo erg als golfen of Nordicwalken. [...] Dan kun je net zo goed toegeven dat je al dood bent.’ Maar als hij een keer meegaat, bevalt het zo dat hij daarna elk jaar gaat.

Op zo’n cruise ontmoet hij zanger Richard Thompson, die op zijn 65ste productiever is dan ooit. Rock-’n-roll heeft volgens hem zijn rebellie verloren: ‘Het is moeilijk rebelleren als je muziek door oudere generaties steeds meer wordt omarmd.’ En zo komen er meer interessante observaties voorbij in het boek, dat een mengeling is van memoires, overpeinzingen en interviews. Jammer is wel dat Donkers niet toe werkt naar een ferme conclusie en nogal eens afdwaalt waardoor de aandacht verslapt. Zo is er een interview met Allen Toussaint over dingen die weinig te maken hebben met de rode draad van het boek. Een strengere eindredacteur had ook ingegrepen bij het herdrukken van een stuk uit De Groene Amsterdammer over Nina Hagen. Het lijkt alsof Donkers alsnog zijn gelijk wil halen over de indertijd populaire, maar volgens hem volstrekt belachelijke Duitse zangeres – terwijl het artikel pijnlijk duidelijk maakt dat het niet zo’n gekke gedachte van de redactie was dat hij ‘echt te oud voor die muziek aan het worden was’. Dat was in 1979. ‘Te oud’ is bij niemand zo relatief als bij Jan Donkers, die waarschijnlijk blijft doorgaan tot hij erbij neervalt – net als Mick Jagger en Keith Richards.