Op het smalle pad van de dolende romanlezer

Goed, u heeft dus geen roman gekocht deze Boekenweek. Nee, geen smoesjes: toen u naar de kassa moest, pakte u de gefileerde bankiers van Joris Luyendijk, een fotoalbum van mensen die u helemaal niet kent (Gouden jaren van Annegreet van Bergen) of iets uit het schap ‘oudere man schrijft over nog oudere moeder’ dan wel de autobiografische boeken van Myrthe van der Meer. (Prima spullen hoor, in hun soort). En, nee, het is niet voldoende dat u een boek van Pieter Steinz over literatuur hebt aangeschaft. Als u ook maar één van zijn lemma’s had begrepen, was u teruggelopen naar de kast en had u er een roman bij gehaald. Maar nee, u slofte met de meute mee. Voor u zou er een hoek in de boekwinkel moeten zijn met het opschrift: ‘Boeken Waarin Dingen Staan Die U Al Weet.’ Foei!

Gelukkig is de roman onverwoestbaar, al wordt het genre vaker doodverklaard dan de sociaaldemocratie. Laatst nog door een Nederlandse uitgever van non-fictie – wat is alsof de fabrikant van vegetarische worstjes ons verzekert dat de lamsbout voorgoed verleden tijd is. Beter nog is het overzicht met dertig (!) doodsverklaringen van de roman sinds 1902 op vox.com. Van Verne, Benjamin, Joyce, Ortega, Mailer en Roth tot Zadie Smith: de meesten leefden korter dan hun boeken. Want de roman mag alles overleven, schrijvers gaan gewoon dood. En worden soms na eeuwen weer opgegraven. Ik zag een prachtige foto van een groep onderzoekers boven een tafel vol bruinige aarde, waarin zich de resten van Miguel de Cervantes zouden bevinden. De uitvinder van de roman was tot stof wedergekeerd, zoveel was zeker. Veel stof. Maandag kwam, na maanden, het grote nieuws: hij was het! Al moesten de geleerden daar wel met enige spijt aan toevoegen dat het ze niet was gelukt om een DNA-match vast te stellen. Helemaal zeker kunnen we dus niet zijn. Godzijdank niet. Want dat is nu de kern van de zaak: waar iedereen probeert de wereld dicht te timmeren met DNA of andere illusies wordt er in de roman onzekerheid geschapen, uitgewerkt en tot bloei gebracht.

Dus liet ik woensdagavond de twee voetbalwedstrijden, twee verkiezingen en twee aanslagen voor wat ze waren. Ik sloeg Barber van de Pols feestelijke vertaling op. Deel 2, pagina 842. Don Quichot en Sancho Panza zijn op bezoek bij een hertog die deel 1 van het boek heeft gelezen en de ridder dus met alle egards ontvangt. De dienstboden nemen Don Quichot in de maling, een geestelijke leest hem doodernstig de les en binnen een paar bladzijden weet niemand meer waar de grap begint – ook de lezer niet. Maar alle personages (behalve de geestelijke) willen dat de grap voortduurt, ze laven zich aan de fictie van de ridder. ‘Ik bewandel het smalle pad van het dolend ridderschap’, verklaart Don Quichot fier. Dat smalle pad is ons pad: volg de dolende ridder! De romans staan op ons te wachten, als reuzen aan de einder.