Ook in 1748 werd de zon zwart

In 1748 tekende Cornelis Pronk een zonsverduistering op de Amsterdamse Keizersgracht. De eclips was – net als de verduistering van vandaag – niet volledig. Om half tien ’s ochtends schoof de maan voor de zon. Om drie minuten over elf werd het optimum bereikt: 87,6 procent van de zonneschijf was bedekt. Al maanden tevoren had het natuurverschijnsel aandacht getrokken van astronomen, die er in publicaties kond van deden. Bij de Amsterdamse kaart- en boekuitgeverij van Reinier en Jozua Ottens in de Kalverstraat verscheen in mei een geïllustreerde verklaring van het fenomeen. De volledige eclips kon – net als vandaag – alleen op een veel noordelijker gelegen breedtegraad waargenomen worden. De Engelse koning trok daarvoor met zijn gevolg naar Schotland.

In deze streken wachtte men zowel met vrees en godsvertrouwen, zoals in vroeger eeuwen, als meer moderne rationele belangstelling het gebeuren af. Men zette een spiegel klaar of een emmer water om daarin de zon te zien verdwijnen – ook toen al was men zich bewust van de onaangename gevolgen van het langdurig recht in de zon kijken. De van tevoren gewekte belangstelling sloeg om in teleurstelling toen de duisternis niet zo volledig was als men zich had voorgesteld. Jacob Bickker Raye noteerde in zijn dagboek over 25 juli: „is hier een seer zware eclips in de zon seer duijdelijk s middags om elf uure te sien geweest, dog was in lang so duijser niet als de natuurkundige of liefhebbers daar van beschreven hadden”. Er verscheen zelfs een schimpgedicht waarin de „heren wiskonstenaars” belachelijk werden gemaakt, de verduistering was „een kleine schaduw van hetgeen gij had geschreven”.

Op de tekening van Cornelis Pronk is de zonnesikkel duidelijk te zien boven de daken van de huizen aan de overzijde van de gracht, even opzij van de toren van de Westerkerk. Dit is het moment van de grootste duisternis. Op de kade achter de brug heeft men een groot vuur ontstoken dat de omgeving in een spookachtig licht zet. Het leven in de stad lijkt gewoon door te gaan. Op de voorgrond passeert een kruier. Midden op straat staan twee heren te praten, waarvan er een in de richting van het vuur (of is het de bijna verdwenen zon?) wijst. De koets bevindt zich, net als het gezelschap op de stoep, voor Keizersgracht 331, het huis van mr. Hendrick Tersmitten. Deze zeer rijke koopman en latere Amsterdamse burgemeester beschikte in 1742 over een huishouden met acht dienstboden. Naast zijn huis stond een pakhuis en koetshuis met stal, voor een rijtuig met paarden. Zoals een heer van zijn stand betaamde had hij een grote buitenplaats, het nu nog bestaande Velserbeek bij Velsen. Wellicht – maar dat is speculatie – beschikte hij ook over een verzameling prenten en tekeningen, en heeft Pronk voor hem deze bijzondere tekening vervaardigd.