Column

Nederland is een democratie in verval

Nederland zit in een systeemcrisis, constateert Ilja Leonard Pfeijffer. Het maakt niet uit wat we stemmen, het beleid wordt toch wel voortgezet.

Het principe van verkiezingen is eenvoudig. De stemgerechtigden geven aan welke vertegenwoordiger van welke partij hun voorkeur heeft en op grond van al die voorkeuren bij elkaar opgeteld wordt het beleid betaald waarmee het land wordt bestuurd.

Zo was het, maar zo is het nu niet meer. Sinds de verkiezingen van eergisteren is het duidelijk dat de Nederlandse democratie in een systeemcrisis is beland.

De beide regeringspartijen, VVD en PvdA, hebben het kabinetsbeleid tijdens de campagne expliciet tot inzet van de verkiezingen verklaard. Beide hebben verloren. De VVD raakte ongeveer een kwart van haar aanhang kwijt. De PvdA werd bijna gehalveerd. Ook met de gedoogsteun van de drie constructieve oppositiepartijen zal het kabinet niet meer kunnen rekenen op een meerderheid in de Eerste Kamer. De conclusie lijkt duidelijk. De kiezer heeft het kabinetsbeleid afgekeurd. Maar dat is niet de conclusie die de regeringspartijen trekken. „Het is mooi om te zien dat veel Nederlanders willen dat dit kabinet de rit uitzit”, zei premier Rutte.

Het merkwaardige van de verkiezingen is dat de regering op geen enkele wijze rekening hoeft te houden met de uitslag. Ze behoudt haar mandaat en moet alleen in voorkomende gevallen op zoek naar bredere steun van de oppositie. Het zou ook helemaal geen zin hebben als de regering op grond van de daverende stembusnederlaag zou besluiten om af te treden, want er tekent zich in de uitslag van eergisteren geen duidelijk alternatief af dat wel zou kunnen rekenen op brede steun van de kiezers. Verkiezingen waaraan met de beste wil van de wereld geen conclusies kunnen worden verbonden, zijn geen verkiezingen maar een symptoom van een democratie in verval.

Daar komt nog bij dat alle partijen ongeveer even groot zijn geworden. In de nieuwsanalyses wordt gesproken van versnippering van het politieke landschap. Je zou ook kunnen spreken van een democratische legitimatie van onverschilligheid. Een curieus gevolg hiervan is dat er, ongeacht de uitslag van de komende verkiezingen voor de Tweede Kamer,maar liefst vier partijen nodig zijn voor een meerderheid in de Eerste Kamer. We zitten dus noodgedwongen vast aan verwaterde consensuspolitiek en wat we de volgende keer stemmen, zal niet uitmaken. De volgende regering zal noodgedwongen als twee druppels water lijken op de huidige. Voor iets anders is er in ons democratische bestel geen ruimte.

Het voordeel is dat het in het Nederlandse politieke landschap ook helemaal niet moeilijk is om een consensus te vormen op grond van een brede coalitie van meerdere partijen, want alle partijen willen voor 95 procent hetzelfde. Alleen de PVV is anders, maar die zit in een neerwaartse lijn.

De Nederlandse verkiezingen zijn verkiezingen waarbij de kiezer geen fundamentele keuzen kan maken en die ongeacht de uitslag resulteren in continuering van het beleid. We zijn een democratie in crisis.