Opinie

    • Frits Abrahams

Mooie dag

Langs de gracht liep, een meter of vijf voor mij uit, een man in vrijetijdskleding van een al lichte, zomerse kleur; hij had een voorschot genomen op de naderende lente. Het leek me een vroege zeventiger, nog kwiek van tred. Hij moest enkele stappen opzij zetten omdat midden op het trottoir een man en een vrouw, ieder vergezeld van een hond, een vrolijk praatje maakten. Ook zij, de jassen half open, genoten van het weer.

Er leek niets aan de hand, totdat de hond van de man plotseling een uitval deed naar de rakelings passerende zeventiger. Het was een grote, sterk uitziende hond, die zo royaal aangelijnd was dat hij gevaarlijk dicht bij de passant kon komen. Die wist zich met een snelle stap achteruit nog net in veiligheid te brengen.

„Kun je die hond niet bij je houden?”, beet hij de eigenaar toe.

Het was een nog vrij jonge man, die zelf ook verrast was door de plotselinge manoeuvre van zijn hond. „Sorry”, zei hij. De vrouw met wie hij stond te praten, vond het wel een koddige situatie en lachte breed. Misschien versterkte dat de ergernis van de passant, want terwijl hij doorliep zei hij over zijn schouder: „Sorry…daar kopen we niks voor.” En hij voegde er krachtig aan toe: „Lúl.”

Omdat ik zo dicht achter hem liep, woei het woord als een natte dweil in mijn gezicht. Niet doen, dacht ik nog, maar het was al gedaan en het viel niet meer ongedaan te maken, zoals zoveel, achteraf noodlottig blijkende, woorden. Zijn eerste, agressief verpakte, verwijt, was nog te billijken, maar nu had hij de situatie onnodig op scherp gezet.

„Wat zei je?”, riep de man van de hond.

Drie woordjes met een universele, onverwoestbare oerkracht – ik hoorde ze al toen ik een jongetje van vijf was. De passant zweeg en liep door. De man van de hond vatte het op als een teken van zwakte en riep hem na: „Kijk naar jezelf, lul. Ouwe lul!”

De passant hield stil, draaide zich om en zei: „Vind je jezelf nou een flinke jongen?”

„Wie begint hier te schelden?”, vroeg de hondeneigenaar.

„Wie begint hier te bijten”, zei de passant.

Ik was langzaam doorgelopen, bevond me ter hoogte van de passant en vroeg me onvermijdelijk af of ik me ermee moest bemoeien voordat het nog verder uit de hand liep. Ik keek naar de vrouw met de hond. Van haar viel weinig te verwachten, want er was een smalende uitdrukking op haar gezicht verschenen. Ze lustte wel pap van deze situatie – je hebt van die mensen; als ze een Derde Wereldoorlog kunnen bevorderen, zullen ze het niet laten. Kleine Poetins.

„Heren, geen ruzie op zo’n mooie dag”, zei ik zo luchtig mogelijk, tegelijk een beetje verbaasd over de vredesrechter in mij. Misschien kwam het door een artikel in een Amerikaanse krant dat ik net gelezen had. Uit onderzoek zou gebleken zijn dat oudere mensen beter dan jongere in staat zijn de stemming van anderen te peilen. Ik wist niet of het klopte, al klonk het wel plausibel, maar ik kon nu in ieder geval een poging doen het onderzoeksresulaat te bevestigen.

Drie paar ogen staarden me meewarig aan. Ik voelde me veranderen in een onuitstaanbare bemoeial, zo iemand die het alleen maar erger maakt. Op dat moment gaf de hond die al die kwaadheid op zijn geweten had, een ruk aan zijn lijn, zodat zijn baas bijna omviel.

We konden onze tocht voortzetten.

    • Frits Abrahams