Maria zal een goed woordje voor je doen

In grafkisten zijn soms afbeeldingen verstopt die alleen voor de dode bestemd waren. Hoog in kerktorens kom je teksten tegen die alleen vanuit de hemel gelezen kunnen worden. Wat zit daar achter?

Veertiende-eeuwse grafschildering in de O.L.V.-Kerk in Brugge Foto uit besproken boek

Toen het nog gebruikelijk was om mensen in kerken te begraven, werden de gestorvenen doorgaans met hun voeten naar het altaar neergelegd. Dat gebruik weerspiegelt zich in luxueuze graven waarop de overledene in sculptuur of reliëf is uitgebeeld. Het lijkt oneerbiedig om de voetzolen te keren naar het liturgische middelpunt van het kerkgebouw, maar daar zat een gedachte achter.

Ooit, immers, zou Christus vanuit de hemel op aarde terugkeren om, zoals de Geloofsbelijdenis zegt, ‘te oordelen over de levenden en de doden’. Dan klinken bazuinen en breken de graven open. En vanuit de houding waarin ze al die tijd hebben gewacht, zullen de overledenen zich, ongeschonden, oprichten en hun beoordelaar automatisch recht in het gelaat zien. Want naar verwachting arriveert die vanuit het oosten, de windstreek waar het licht vandaan komt en waar in een christelijk cultusgebouw vaak het hoogaltaar staat.

Het begraven in kerken is in Nederland afgeschaft in 1829 en sindsdien zijn er veel graven geruimd, zerken verplaatst, en beenderen in de knekelput verdwenen. Het zijn ontwikkelingen die Dirk Jan de Vries, bijzonder hoogleraar Bouwhistorie en erfgoed in Leiden, spijten. Maar zijn vak heeft er ook zijn voordeel mee gedaan.

Decoraties

Zo presenteert De Vries, in zijn boek over vele aspecten van het Laatste Oordeel in de westerse kunst en architectuur, opmerkelijke decoraties zoals die – na het voortijdig openbreken ervan – werden aangetroffen aan de binnenkant van veertiende-eeuwse grafkisten uit de Zuidelijke Nederlanden. Deze schilderingen waren duidelijk slechts bedoeld voor de overledene. Bij het Laatste Oordeel zou hij, aan zijn voeteneind een voorstelling zien van de Maagd Maria die een goed woordje voor hem kon doen. Aan het hoofdeind wist hij zich gesterkt door de rugdekking van de gekruisigde Christus.

Dergelijke verborgen voorstellingen, kennelijk niet bestemd voor gewone stervelingen, spelen een belangrijke rol in de beknopte studie waarin De Vries het concept van individualiteit in de middeleeuwen op een nieuwe manier benadert. Als bouwhistoricus bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed begeleidt hij restauraties van middeleeuwse monumenten, en komt hij op plaatsen waar geen mens ooit voet zet. Hoog op de torenspits van de Nieuwe Kerk in Delft bijvoorbeeld, treft hij nooit eerder beschreven inscripties en wapenschilden aan van de heersers en instanties die omstreeks 1490 bij de bouw betrokken waren. Voor het oog van gewone toeschouwers verstopt, zijn ze kennelijk alleen gericht op God. En net zo onopvallend blijken middeleeuwse bouwmeesters en steenhouwers merktekens te hebben achtergelaten, soms met de letters ondersteboven zodat ze beter leesbaar waren voor de Rechter die zij hoog in de hemel wisten.

Herkenbaarheid

Dit soort manifestaties van eigenheid laten zien hoe stervelingen zichzelf wilden onderscheiden, in de overtuiging van het belang van herkenbaarheid bij het Laatste Oordeel. Daarmee stelt De Vries de kwestie van ‘de geboorte van het individu’ centraal. Doorgaans wordt die geassocieerd met de (Italiaanse) Renaissance, toen bijvoorbeeld de antieke portretkunst werd herontdekt. De Vries benadrukt dat met zulke levensechte beeltenissen van tijdgenoten vooral wereldse eer werd nagestreefd.

Maar al eerder kwamen in Noord-Europa frappant gedetailleerde portretten voor, zoals de koppen van koningen en geestelijken, en een zelfportret, van de veertiende-eeuwse steenhouwer Peter Parler in de Praagse Sint-Vitusdom. Om over hun identiteit geen misverstand te laten bestaan zijn ze voorzien van inscripties met hun namen. Maar, hoog in het koor geplaatst, zijn ze vanaf de begane grond onzichtbaar.

In de wat gedragen stijl die typerend is voor deze erudiete studie, voorzien van vele, soms wel erg kleine, afbeeldingen, concludeert De Vries dat de figuren in Praag ‘met hun opengesperde ogen zojuist ontwaakt [zijn] uit de dodenslaap en hopen op toelating tot de hemel.’

    • Bram de Klerck