Kendrick richt zich tot de mensen die hem begrijpen

Op zijn derde album duikt Kendrick Lamar diep in de geschiedenis van zwart zijn in een door wit gedomineerde wereld.

foto Linda Nylind / HH

De rapper van het moment schreeuwt het uit op zijn deze week verschenen derde album To Pimp A Butterfly. Soms letterlijk, veel vaker figuurlijk. Het is teveel. Het succes, het felle licht van de schijnwerpers. Het constant in het brandpunt van een vergrootglas leven als zwarte man in Amerika, bij elke stap hyperbewust van zijn huidskleur en van een oneindige geschiedenis van racisme en doelgericht geweld tegen zijn gemeenschap. Politici en gangs die elkaar geen millimeter naderen. Verdeel en heers. Geweld en haat. Zijn vriend die werd neergeschoten en die hij voor zijn dood alleen nog via FaceTime sprak.

„Aaaaaaah!”

Kendrick Lamar (27) is de belangrijkste rapper van zijn generatie, een positie die hij bereikte met zijn cruciale hiphopalbums Section.80 (2011) en doorbraakplaat good kid, m.A.A.d. city (2012), rapcrew Black Hippy, en zijn bondgenootschap met Dr. Dre – de producer die eerder de carrières van hiphopsupersterren Snoop Dogg, Eminem en 50 Cent lanceerde.

Zijn huidige positie brengt voor Lamar een op To Pimp A Butterfly hoorbaar, haast verstikkend besef van verantwoordelijkheid mee. Schuldgevoel naar de mensen die hij heeft achtergelaten in uitzichtloosheid. En de nauwelijks te dragen overtuiging dat hij als wereldwijd zeer succesvolle rapper hun woordvoerder moet zijn, zoals zijn eigen helden dat waren; iconen als Nelson Mandela, Richard Pryor en Tupac Shakur.

Compton, Los Angeles

Lamar werd geboren in 1987 in Compton, Los Angeles, op het hoogtepunt van de crackepidemie in Amerika, in een tijd waarin de Los Angeles Police Department met tanks woonhuizen in de zwarte gemeenschap binnenreed als onderdeel van de zogenoemde War on Drugs, en het jaar waarin zijn ouders thuis de eerste nummers draaiden van rapgroep N.W.A. (Niggaz With Attitudes), de wegbereiders van het wereldwijde succes van gangsta rap. Op zijn eerste twee krachtige narratieve albums, vatte Lamar de geschiedenis van gangsta rap samen en tilde hij die een nieuwe fase in. De westkustrapper vond, vertelde hij in 2012 aan nrc.next, dat in het genre te vaak „het verhaal van de andere kant miste, van jongeren die straatimago’s niet ophemelen, maar juist hun best doen ervan weg te blijven.”

Op dit derde album schroeft Lamar zijn ambities verder op. Hij duikt diep in de geschiedenis van zwart zijn in een door wit gedomineerde wereld; van „vastzitten in de ghetto” naar de cel van Mandela die hij op Robbeneiland bezocht, en van het strategisch opzetten van slaven tegen elkaar en de ketens van de katoenvelden, naar het aanhoudende grove politiegeweld tegen zwarte mannen in het Amerika van nu. Hoewel Lamar inmiddels een mainstreamrapper is die optreedt op de grote popfestivals wereldwijd, richt hij zich op zijn plaat direct tot de groep die zijn emoties en ervaringen het meest zal herkennen. „Ik spreek niet tegen de mensen in de buitenwijken”, vertelde hij deze week in een profiel in The New York Times. „Ik praat als iemand die uit auto’s is gesleurd en op wie geweren zijn gericht.”

Rubberen funky baslijn

Zijn album begint met krakend vinyl en het gesampelde citaat ‘every nigger is a star’ uit het gelijknamige nummer van de Jamaicaanse zanger Boris Gardiner. In openingsnummer Wesley’s Theory staat acteur Wesley Snipes – in 2008 tot drie jaar cel veroordeeld vanwege belastingontduiking – symbool voor hoe Amerika volgens Lamar met succesvolle zwarte mannen omgaat. „We should never gave niggers money, go back home”, klinkt het schmierend op een rubberen funky baslijn met piepende synthesizertonen, in een geweldige G-Funk-track geproduceerd door o.a. beatmaker Flying Lotus en bassist Thundercat, met George Clinton als vocalist.

Lossere, chaotische feel

Het is het openingssalvo van een album dat de grenzen tussen rap en de wortels van rap diffuus maakt; dat put uit P-Funk en G-Funk, rap en spoken word, jazz en soul, met zang van o.a. neo-soulster Bilal, Ronald Isley en Lalah Hathaway - dochter van soullegende Donny Hathaway - en met koper, drums en bassen virtuoos gespeeld door een keur aan vaak met hiphop opgegroeide jazzmuzikanten uit voornamelijk Los Angeles. Die musici geven veel instrumentaties een wat lossere, associatieve en chaotische feel dan gebruikelijk op rapalbums, die goed past bij de vaak steeds intenser wordende raps van Lamar zelf; dramatische, poëtische voordrachten die bij vlagen doen denken aan grondleggers The Last Poets.

Lamar schakelt in zijn raps tussen personages en perspectieven en zet zijn stem steeds anders in, van fier en strijdbaar tot dronken en gefrustreerd. Hij maakt emoties als depressie, woede, hoop en wanhoop extreem invoelbaar. To Pimp A Butterfly is een bij momenten hermetisch album om bij naar adem te happen, hier en daar topzwaar door de immense brei van ideeën, citaten en ambities, en met een halverwege afgekapte live-versie van de Grammy Award winnende single ‘i’ die wat uit de toon valt. Het is een 78 minuten lang, niet eenvoudig te verteren kunstwerk dat langzaam onder je huid gaat zitten, propvol muzikale en tekstuele verwijzingen naar de wortels van de man én de artiest Kendrick Lamar, introvert en militant, hoopvol en verscheurd, en met het gewicht van de wereld op zijn schouders

Op het outro van het album gaat hij te rade bij de in 1996 op zijn vijfentwintigste vermoorde messias van de straatcultuur Tupac Shakur en laat hij de rapper en acteur middels oude interviewfragmenten antwoord geven. Tupac vertelt, in deze context aan Lamar, hoe hij bouwt aan economische onafhankelijkheid en omgaat met de valkuilen van succes, en dat hij verwacht dat de zwarte gemeenschap elk moment een bloederige revolutie zal ontketenen. Het is een sterke dialoog, mede omdat de teksten van Tupac ruim twintig jaar na dato niets aan actualiteit hebben ingeboet, maar vooral door het einde (spoiler alert). Lamar leest Tupac een tekst voor en wil een reactie maar krijgt ineens geen antwoord meer.

„Pac? Pac? Pac?”

Zijn mentor is verdwenen. Dat verlies, en het verlies van al die zo jong vermoorde mannen die met hun kennis en ervaring nieuwe generaties de weg hadden kunnen wijzen in muziek en maatschappij, is op een hiphopalbum zelden zo huiveringwekkend samengevat.

„Aaaaaaah!”