In een ieder schuilt een schreeuwlelijk

Marie Kessels

Hoe leer je af te komen van lawaaistress en een flatneurose? Door elders nog veel meer herrie te trotseren en je te mengen tussen mensen die vaak in de brulstand staan. Kessels heldin went eraan.

Foto Thinkstock

Simon Vestdijk zette bij het schrijven vaak de stofzuiger aan, om alle andere geluiden te overstemmen. Het verbaast me niet om in Brullen, de negende roman van Marie Kessels, gewijd aan geluidsoverlast en ‘lawaaistress’, ook zo’n stofzuiger tegen te komen. Hoofdpersoon Dana is een fotografe die zich ook op schrijven toelegt. Zij moet regelmatig aan haar vrienden uitleggen dat zij beter het ‘zenuwslopende’, maar constante geloei van een stofzuiger verdraagt dan het onvoorspelbare geschreeuw, gebonk en geruzie van de buren in haar gehorige flat.

De naam Vestdijk komt in Brullen niet voor. Wel komen gewaardeerde voorgangers als Brodsky, Hrabal, Platonov en Hermans ter sprake. Toch zou je hier van enige schatplicht, of althans enige verwantschap, kunnen spreken. Kessels verstaat, net als Vestdijk, de kunst om in beeldende zinnen en via verrassende redeneringen tot tegendraadse inzichten te komen. Opvallend bij beiden is de neiging om hun demonen (lawaai, angst, pijn, liefdesverdriet) met open vizier tegemoet te treden en te benoemen, om er zo nog enige greep op te krijgen.

In Brullen gaat dat via een fraaie omweg. Kessels’ heldin ontvlucht op zeker moment haar dunwandige flatwoning in de Oklahomastraat. Zij besluit een jaar lang haar intrek te nemen in het vrijstaande huis van een vriend, in een rustige buitenwijk in een niet nader genoemde stad. Zij hoopt daar bij te komen van haar onderburen Johnny en Joyce en later Wil, die de stofzuiger met gemak wisten te overstemmen met keiharde muziek, gevloek en getier.

In die andere stad, gemakkelijk te herkennen als Eindhoven met zijn vliegveld, zijn Universiteit voor Nieuwe Technologie en zijn zeppelin-achtige Philipsstadion, probeert ze in het reine te komen met haar lawaaistress in het algemeen en haar ‘flatneurose’ in het bijzonder. Hoe doet ze dat? Door naar plekken te gaan waar veel herrie is. Zo bezoekt ze regelmatig de luchthaven om daar, samen met andere vliegtuigspotters, Boeings te zien opstijgen en landen, en te luisteren naar de brullende motoren. Zij hoort na verloop van tijd steeds minder lawaai, en steeds meer prettige geluiden: van wind, krekels en experimentele klassieke muziek.

Ook mengt ze zich, met haar fotocamera, onbekommerd tussen snackbarklanten, bezoekers van de beruchte Begijnesteeg, PSV-supporters, en zelfs bajesklanten. Bij de voetbalsupporters, hier voor de overzichtelijkheid allemaal over één kam geschoren als ‘hooligans’, valt haar op hoezeer ze een collectief vormen, ook als ze geen voetbalshirt dragen. De losse fan, die even uit de supportersmassa wegdrijft, omdat hij iets te eten gaat halen, is meteen te herkennen omdat hij zo breeduit in de brulstand staat: ‘de ellebogen uitgestoken, het hoofd gemonteerd op een hyperbeweeglijke as, de half open mond klaar om te schreeuwen.’

Zoals Kessels zich in eerdere romans verdiepte in een blinde (Ruw, 2009), een stationskioskhoudster (De god met gouden ballen, 1993) of een maîtresse (Boa, 1991), zo probeert ze zich in Brullen te verplaatsen in mensen, mannen vooral, die met hun hobby of hun onaangepaste manier van leven voor veel overlast zorgen. De conclusie ligt dan al snel voor de hand: supporters en andere herrieschoppers behoren tot de onderkant van de samenleving en de intellectuelen en eigen-huizenbezitters zijn de voorbeeldige burgers die respect hebben voor elkaar en hun omgeving.

Maar na een jaar in de steriele, saaie buitenwijk, waar de welgestelde bewoners neerkijken op het klootjesvolk, krijgt Kessels’ heldin steeds meer begrip en zelfs sympathie voor de minderbedeelden in haar eigen flat. Ze heeft weliswaar veel last van hun herrie, maar ze weet ook dat ze niet wezenlijk verschilt van de mensen in de Oklahomastraat. Ze wil dat zelfs niet meer. ‘Als ik ergens van doordrongen ben geraakt […], dan is het wel dat ik met mijn hele wezen gebakken ben aan de ketelmuziek die we met ons allen voortbrengen om te laten horen dat we bestaan.’ Zelf zet ze immers ook regelmatig een hardere stem op dan gewenst en ook ontglipt haar regelmatig, zonder enige aanleiding, een lelijk scheldwoord.

En wat trekt haar eigenlijk zo aan in de boeven in het Arnhemse Huis van Bewaring die ze af en toe een opruiend verhaal komt voorlezen, om ze te stimuleren om zelf ook iets te vertellen? Ze hoopt dat ze iets zullen prijsgeven van hun duistere, onaangepaste kant, alle heropvoeding, therapeutische gesprekken en reclassering ten spijt.

Je zou in Brullen een oproep kunnen zien aan de lezers om meer solidariteit te tonen met de zwakkeren in de samenleving, met de Johnny’s en de Joycen in hun schamele flatwoning. Maar ik zie er vooral een waarschuwing in. In ieder van ons, zo houdt Kessels ons voor, in haar geestige en gloedvolle betoog, schuilt een schreeuwlelijk, een asociaal, een hooligan, een crimineel of een gevaarlijke gek – onder een akelig dun laagje beschaving.