Horror bereidt ons veilig voor op de duisternis

Een leven als een louteringsverhaal: van junk tot Booker Prize-winnaar. Nu werkt hij aan een horrorroman. ‘Mijn nieuwe houding is: I don’t give a fuck. Ik voel me weer net zo vrij als toen ik debuteerde.’

DBC Pierre, gastschrijver in Amsterdam: ‘Romans zijn tegenwoordig plausibeler dan het echte leven. Het contact met de wereld is verloren gegaan.’ Foto Robin Utrecht

‘Ja, ik ben een weeskind.” Wrange grijns: „Dus als u nog een aalmoes heeft voor een arme drommel…”

Een week later dan gepland tref ik DBC Pierre – in 1961 geboren als Peter Finlay, roepnaam Pierre of Pete – in het Amsterdamse Café De Zwart. Op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds is hij hier vlakbij gevestigd als gastschrijver, een verblijf dat ruw is onderbroken door het overlijden van zijn moeder. Op stel en sprong vloog Pierre naar Australië, waar zijn moeder de winters doorbracht. „Die vlucht is killing,” zegt hij. „Ik sta stijf van de jetlag. Maar op een prettige manier. Een staat van wakend dromen.”

Zijn moeder heeft een lang en vol leven gehad, dus haar dood is geen tragedie, verzekert hij. „En voor mij betekent het ook vrijheid. Ik vlieg eindelijk op eigen kracht. Zoals een ruimteshuttle die gedragen wordt door een groter vliegtuig en dan opeens… los.”

Dirty But Clean Pierre maakte in 2002 naam met zijn debuutroman Vernon God Little, die onder meer bekroond werd met de Booker Prize. Maar meer nog dan over zijn werk, werd er geschreven over zijn achtergrond. Geboren in Australië, opgegroeid in Mexico, als zoon van een gevierd maar vroeg gestorven wetenschapper, daarna ontspoord en ten onder gegaan aan drugs, schulden en psychische problemen, om zichzelf uiteindelijk opnieuw uit te vinden als schrijver in Londen en Ierland. Een louteringsverhaal.

Dat leven heeft sporen nagelaten op zijn gezicht, maar Pierre is niet de rouwdouwer die je zou verwachten. Hij spreekt in een accent dat een mengelmoes is van invloeden, en zegt in het Nederlands ‘lekker’ en ‘dankjewel’ wanneer de kastelein zijn cappuccino brengt. Al pratend rolt hij een shaggie dat hij achter zijn oor steekt. Voor later.

Zijn uw ouders bepalend geweest voor uw schrijverschap?

„Je ouders halen je door de mangel. They fuck you up. Niet met opzet, maar toch. De mijne waren het product van de jaren zestig en zeventig, een tijdperk van positivistische waanideeën, waarmee ik geïndoctrineerd ben en die uiteindelijk leugens bleken. Het heeft me lang gekost me los te maken van de invloed van die generatie. Dertig jaar lang deprogrammeren! Maar tegelijk schonk het me de noodzaak me te uiten. Niet omdat ik dat leuk vind, maar omdat ik moet.

„Wat ook bepalend was: mijn ouders reisden veel en negeerden mijn educatie. Hun filosofie was dat ik meer zou leren door te zien hoe de wereld werkte. Dat maakt me een dilettant. Als ik iets lees of zie wat vele anderen ook hebben gezien, zal ik er bovenmatig door geïnspireerd raken, terwijl de meesten het allang weer vergeten zijn. Ik kijk met een zekere kinderlijke verwondering naar de wereld. Een atypische jeugd – zoals veel kunstenaars die hebben gehad – zadelt je op met een combinatie van teleurstelling en onschuld.”

En existentiële onzekerheid.

,,O, absoluut. Angst is een motor voor schrijvers. Ik vraag me af of we op papier niet een wereld bouwen waar we tenminste controle over kunnen uitoefenen.”

Daarmee zijn we, via een omweg, bij de aanleiding van dit gesprek: Ontbijt met de Borgias, Pierre’s bijdrage aan een reeks horror-romans die verschijnen onder het Hammer-label, de fameuze filmstudio die in de jaren zestig tot tachtig het horrorgenre domineerde. Ik vraag hem naar een stuk dat hij over horror schreef voor The Independent. Daarin beschrijft hij een droom die hij had als kind, waarin hij zijn vader in de steek laat in een donkere grot. Pierre moest terugdenken aan die droom toen zijn vader op sterven lag. Toen hij met zijn moeder van het ziekenhuis wegreed, keek hij om, „inwendig jankend terwijl het gebouw kleiner werd, in elke vezel de wetenschap dat ik dit al eerder had gedaan.”

Horror, de angstdroom, als voorbode van verlies en machteloosheid?

„Mexico, waar ik opgroeide, is gefascineerd door de dood. Er zijn kranten waar de misdaden van de week in staan: onthoofdingen, verbrande lijken. En daar dan expliciete foto’s van. Hoe ziet een lichaam eruit als je je machinegeweer erin hebt geleegd? Als een berg vermalen vlees. Ze weten daar hoe goedkoop een leven is. Als ik dat vergelijk met de Engelse cultuur, waar de dood uit beeld is gemanoeuvreerd. Waar kinderen voortdurend beschermd worden tegen elke mogelijke narigheid. We kweken kleine Goden, die geen besef hebben van ziekte en dood. Horror bereidt ons, op een veilige manier, alsnog voor op de duisternis. En dan vooral op de psychologische shit.”

Herinner u zich de eerste horrorfilm?

„Dat was de Hammer-versie van Dracula, met Christopher Lee en Peter Cushing. Een neef nam me mee naar de drive-in. De symboliek in die films lag er lekker dik bovenop. Het was heel seksueel. Jonge vrouwen die het bloed uit de nek wordt gezogen… Krachtige beelden.”

Ontbijt met de Borgias is het verhaal van computernerd Ariel, die op weg is naar Amsterdam voor een geheim rendez-vous met Zeva, een jonge studente. Door dichte mist moet hij echter landen in Engeland, waarna hij wordt ondergebracht in een akelig gasthuis aan zee. Erger: Ariel kan Zeva onmogelijk bereiken – alle communicatiemiddelen hebben het begeven.

Het is een boek met weinig bloed en monsters.

„Dat had het niet nodig, vond ik. De horror van de 21ste eeuw is een andere. Ik begin het boek met: ‘Technologie is de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot het licht dan daardoor.’ Het idee dat Twitter een stap voorwaarts is voor de mensheid, dát is de ware gruwel. Ik straf Ariel voor dat idee, door hem in zo avers mogelijke omstandigheden te plaatsen.”

David Brooks schreef: ‘In vroeger tijden werd weggaan gemeten in afstand, nu in stilte.’

„We zijn als de dood contact te verliezen. Zodra de batterij het begeeft, zijn we de lul. We hebben geen solide kern meer die ons overeind houdt. Uiteindelijk gaat al mijn werk over een ontwikkeling die al een eeuw gaande is: hoe commercie ons van onze menselijke kwaliteiten ontdoet, zodat bedrijven ons producten door de strot kunnen douwen.”

Ik wijs hem erop dat hij zelf wel degelijk een mobiele telefoon heeft, waarmee hij tijdens het gesprek voortdurend foto’s maakt van wat zich buiten in de steeg afspeelt: een kok die in een deuropening staat, een spectaculair kapsel, een bontjas. „Die foto’s maak ik voor mezelf. Ik doe niet aan social media. Al zou de uitgeverij het wel graag willen.”

Wat vindt u eigenlijk van de hedendaagse literatuur? Ik las ergens dit citaat: ‘Mensen willen naturalisme, maar naturalisme gaat over geloofwaardigheid en geloofwaardigheid heeft niets met het leven van nu te maken’.

„Romans zijn tegenwoordig plausibeler dan het echte leven. Het contact met de wereld is verloren gegaan. De literaire regels van de twintigste eeuw schieten simpelweg tekort voor het beschrijven van de chaos en absurditeit. Romans moeten steeds grotere leugens worden, om nog geloofwaardig te lijken. Natuurlijk, romans gingen altijd al tot op zekere hoogte over zichzelf, maar nu gaan romans vrijwel exclusief over het idee dat we hebben van wat een roman is.

„Zelfs toen ik aan Vernon God Little werkte, kon ik het meest waarachtige materiaal niet gebruiken. Er was indertijd een Amerikaanse rechtbank waar zaken werden behandeld van mensen die mogelijk terechtgesteld zouden worden. De aanklagers droegen naar de zitting humoristische dassen, met doodshoofden of een IJzeren Hein erop. En als ze wonnen, gaven ze feestjes, met een taart in de vorm van de elektrische stoel. Als je dat in een boek stopt, is het gedaan met de geloofwaardigheid.’’

Voelt u zich deel van de literaire wereld?

„Ik weet niet precies wanneer je een insider bent, maar als je het hebt over critici of academici, dan ben ik zeker een outsider. Afgezien van dat ene mazzeltje met Vernon God Little, toen ik de Booker kreeg, omdat het jurylid dat het meest van mijn boek genoten had toevallig de emeritus professor in het gezelschap was, én de voorzitter. Ik denk dat de positie van de outsider me past. Het is de positie van de expat. Het is wat ik ken. En ik denk dat het ergens ook terecht is: ik ben ongetwijfeld ongedisciplineerd en naïef en maak me schuldig aan een wankele stijl en constructiefouten.”

De romans die u na ‘Vernon God Little’ schreef, ‘Ludmila’s Broken English’ en ‘Lights Out in Wonderland’, werden bepaald niet universeel omarmt.

,,Ik zoek de kritieken niet op. En de allerergste zijn bijna kunst, zo overtrokken. Trouwens, hoe kun je kritiek hebben op jazz? Want dat is wat ik maak. Improvisatie, in het moment. Ik zie schrijven als performance.

Hoe kijkt u terug op ‘Vernon God Little’?

,,Ik heb sterkere herinneringen aan het schrijven ervan – de omstandigheden, hoe de gevoelens en effecten bereikt zijn – dan aan de inhoud van het boek, als ik eerlijk ben.’’

U schreef dat boek vanuit het idee het nooit aan iemand te laten zien. Eenmaal gepubliceerd, is die schijnvrijheid weg.

„Dus moet je een andere manier vinden. Mijn nieuwe houding is: I don’t give a fuck. Al heeft het me tien jaar gekost zover te komen. Wat ik vooral kwijt ben, is een gevoel van verplichting aan de uitgever. Weet je wat de ziekte is als je een bestseller schrijft? Niet hoe dat jóú verandert, maar hoe de uitgever erdoor verandert – en dan bedoel ik mijn Britse uitgever. De ene helft van zijn mond zegt ‘je bent een groot kunstenaar, je moet doen wat je moet doen’, maar de andere helft fluistert hij je allerlei wensen in het oor. Een happy ending graag. Minder scheldwoorden. Alles voor de verkoopbaarheid.

„Omdat ik dat herkende uit mijn jeugd – het dubbelhartige, het manipulatieve, het sinistere – reageerde ik er bijzonder slecht op. Ik raakte het zicht kwijt op wat ik aan het doen was, iets wat op een bepaalde manier weer het onderwerp werd van de romans die ik vervolgens schreef, romans over oneerlijkheid en hebzucht. Nu durf ik eindelijk te zeggen: stik er maar in. Ik voel me weer net zo vrij als toen ik Vernon God Little schreef.”

Dat maakt nieuwsgierig naar nieuw werk.

,,Ik werk aan een roman over verandering. We zitten op de verticale lijn van een exponentiële ontwikkeling: als je een nieuwe telefoon koopt, is-ie al gedateerd op het moment dat je de winkel verlaat. Maar die veranderingen strekken zich uit tot voorbij technologie, naar cultuur, recht en maatschappij. Ik wilde schrijven over iemand – een Nederlands personage, trouwens – voor wie alles elke dag verandert. Hij wordt wakker, gaat naar de koffiezaak, maar de koffiezaak heeft alweer plaatsgemaakt voor iets nieuws. Hij zoekt contact met een vriend, maar die vriend zit opeens in de gevangenis, omdat de wetgeving is aangepast. Enzovoorts enzovoorts. Ja, ik werk er met veel genoegen aan.”