Hoe Manchester ‘Madchester’ werd

Pop(auto)biografieën

Groot-Brittannië vierde het einde van het Thatchertijdperk met acid house. The Happy Mondays en New Order veranderden het vervallen Manchester en pillen veranderden de Britse pop.

Happy Mondays in 1990; v.l.n.r. bassist Paul Ryder, danser Bez, drummer Gary Whelan, gitarist Mark Day, zanger Shaun Ryder en keyboardspeler Paul Davis. Foto Kevin Cummins/Getty Images

In 1990 trad de band Happy Mondays op tijdens Glastonbury, het vijfdaagse muziekfestival in Zuid-Engeland. De band uit Manchester was op de top van zijn roem, en speelde zijn dansbare gitaarliedjes voor een uitgelaten menigte van zo’n 50.000 man.

Een jaar daarvoor had het grote publiek de groep omarmd. Tot dan was Happy Mondays een rammelig bandje dat zijn funkambitie niet kon waarmaken. Daar bracht de komst van xtc, eind jaren tachtig, verandering in. De gelukspil gaf de muzikanten inspiratie om lange, stuwende nummers te spelen en gelukzalig over het podium te dansen, aangespoord door het al even verrukt dansende publiek.

Omstreeks die tijd werd Happy Mondays het gezicht van ‘acid house’, de nieuwe jeugdbeweging die bekend stond om smiley-T-shirts, makkelijke broeken en een voorkeur voor vrolijke muziek. Zo vierde de Britse jeugd het einde van het Thatchertijdperk.

Werkloosheid en het verval van de industrie legden in de jaren tachtig een grauwsluier over Engeland, waar de doemmuziek van Joy Division en koele elektronica van Depeche Mode goed gedijden. Maar nu was het tijd voor de brille van Happy Mondays, met zanger Shaun Ryder als onderhoudend neuzelende drugssjamaan en z’n aanstekelijk dansende boezemvriend Bez. Aangevuurd door ontdekker Tony Wilson van platenmaatschappij Factory werd Happy Mondays het gezicht van Manchester dat, onder de nieuwe bijnaam ‘Madchester’, van vervallen industriestad ineens uitgroeide tot hedonistisch pretpark.

De opkomst én ondergang – door overmatig drugsgebruik – van Happy Mondays wordt door biograaf Simon Spence in Happy Mondays. Excess All Areas smakelijk opgedist. Helder koppelt hij de maatschappelijke situatie van die tijd aan ontwikkelingen in de muziekscene en verbindt hij het effect van bepaalde drugs met bepaalde muziek. Bovendien ontzenuwt hij enkele mythes. Zo waren de broers Shaun en Paul Ryder (bassist) niet zo ‘working class’ als ze deden voorkomen. Vader Derek was jarenlang hun roadie. En hoewel de bandleden zich voordeden als nonchalante muzikanten, memoreert Spence hun strakke repetitieschema van zes dagen per week.

Behalve deze biografie verschenen onlangs ook twee autobiografieën van muzikale voorlopers van Happy Mondays. Chapter & Verse is het levensverhaal van Bernard Sumner, eerst gitarist van Joy Division en later zanger/gitarist van New Order. John Lydon, alias Johnny Rotten, ooit zanger van The Sex Pistols en tot op heden voorman van PiL (Public Image Ltd.) schreef Anger is an Energy. The Sex Pistols ontstaken eind jaren zeventig het muzikale vuur bij de Ryder-broers. Mede-Manchesterbewoner Sumner hielp de Mondays door ze als voorprogramma mee te nemen met New Order.

Deze drie (auto-)biografieën laten zien dat een buitenstaander soms beter een carrière samenvat dan een betrokkene. Zo vertellen Lydon en Sumner al te uitvoerig over hun jeugd. Sumner was ongelukkig in een vervallen buitenwijk, met een alleenstaande gehandicapte moeder die aan woedeaanvallen leed. Lydon, op zijn beurt, kreeg hersenvliesontsteking en hield er vergeetachtigheid en een zwak gestel aan over. Muziek was hun ‘redding’.

Lydon stapt vervolgens met zevenmijlslaarzen door het Sex Pistols-tijdperk. Zijn hart ligt duidelijk bij zijn tweede band PiL, die nog steeds bestaat en waarvan hij het enige vaste lid is. PiL was minder opruiend dan The Sex Pistols, maar muzikaal avontuurlijker, met reggaeritmes en krijsende gitaarflarden.

De geschiedenis van Sumner en Joy Division/New Order verdiende een beter boek. Tragisch was de zelfmoord van hun vriend en Joy Division-zanger Ian Curtis in 1980, aan de vooravond van een eerste Amerikaanse tournee. De daaropvolgende verwarring wordt summier aangestipt. Liever vertelt Sumner over de glorieuze opkomst van de overgebleven leden, als New Order. Hun succes reikte – uitzonderlijk voor een ‘alternatieve’ Britse band – tot in Amerika. Van de opbrengst van hun tournees en hitsucces kon Factory in 1982 een eigen club beginnen, The Haçienda, later het roemruchte centrum van ‘Madchester’.

Sumner vond er eerst niet veel aan. Maar toen hij tijdens studio-opnamen op Ibiza xtc ontdekte, veranderde ook hij in een clubber. En net als bij Happy Mondays had de pil invloed op zijn muziek, die steeds meer op de dansvloer werd toegesneden. New Orders grootste hit werd de pneumatische Giorgio Moroder-pastische Blue Monday (1983), de best verkochte 12-inch single allertijden.

Sumner en Lydon zijn beiden rancuneus. Dat levert grappige passages op, bijvoorbeeld als Lydon fulmineert tegen de pasvorm die punkontwerpster Vivienne Westwood hanteerde, waardoor punkbroeken steevast knelden in het kruis.

Sumner rekent vooral af met Peter Hook, de bassist van zowel Joy Division als New Order. Inmiddels is ‘Hooky’ uit de band, maar Sumner blijft schimpen, zelfs als het gaat om wie van beiden het grootste feestbeest was (Sumner volgens Sumner). Het geeft zijn verhaal een onsympathieke ondertoon. Bovendien is hij nauwelijks grappig, zeker vergeleken met de boeken van Hook zelf, over onder meer The Haçienda (How Not to Run a Club).

Als onderwerp is Sumner interessanter dan Lydon, want hij is de betere muzikant. Maar de verhalen over hun cd-opnamen en de werkwijze van hun ingenieuze producer Martin Hannet hadden meer aandacht verdiend. Maar Lydon is eerlijker. Bij al het getier op ex-muzikanten laat hij niet na ook zichzelf als ‘onmogelijk’ af te schilderen. Onder het gescheld schuilt bovendien liefde voor wat hij inmiddels is gaan waarderen: van natuur tot kinderen (de zonen van zijn overleden stiefdochter Ari, van The Slits, zijn onder zijn hoede). Ook is hij niet sentimenteel. Over Ari is hij kritisch maar liefdevol, waar hij hun laatste momenten memoreert, samen zingend op haar ziekenhuisbed.

De muzikanten van Happy Mondays hebben hun carrière ternauwernood overleefd. Hun neergang begon op Glastonbury, in de jaren negentig, waar de band met duizend kennissen en veel drugs arriveerde. Hun dealervrienden misdroegen zich, er werd brand gesticht en geroofd. Uit woede gelastte Glastonbury-baas Michael Eavis de volgende editie af.

Ook The Haçienda, de club waar Happy Mondays begin jaren negentig tot bloei kwam, raakte betrokken bij geweldsincidenten en werd een financieel fiasco. In de nasleep ging ook Factory failliet. Happy Mondays maakte nog het geweldige Pills ‘n’ Thrills and Bellyaches, maar ging na het uiteenvallen van ‘Madchester’ en Factory in 1993 definitief ten onder aan ruzie en drugsverslaving. De afgelopen jaren kwamen de bandleden nog een paar keer bijeen – om een faillissement te voorkomen.