Haakje geopend, maar niet gesloten

Een jaar na zijn comeback als romanschrijver publiceert Wessel te Gussinklo het boek waar het hem eigenlijk om te doen was: een essay over veel, zo niet alles. Met een evolutionaire sprong aan het eind.

Vorig jaar liet Wessel te Gussinklo zijn nieuwe roman Zeer helder licht bij de kleine uitgeverij Koppernik verschijnen omdat het bedrijfje óók bereid was het grote essay waaraan hij werkte uit te geven. Grote uitgeverijen haalden de neus op voor zijn essayistiek, zo impliceerde Te Gussinklo, die zijn essay van groter belang vond dan zijn roman. Belofte maakt schuld, dus verschijnt minder dan een jaar na de met een AKO-nominatie geëerde roman het volumineuze Wij zullen aan god gelijk zijn. Het is een boek waarvan je je kunt voorstellen dat de auteur het koste wat kost gepubliceerd wilde hebben: het is het soort ambitieuze wereldomspannende vertelling dat je vaker zou willen lezen. Er valt dan ook veel over te zeggen, al is dat niet allemaal positief.

Het leidende begrip in Wij zullen aan God gelijk zijn is dat van de ‘Wereldziel’, die het best te begrijpen is als collectieve kracht van alle mensen op aarde. Deze is niet te verwarren met de redelijke en harmonieuze Wereldgeest van Hegel. Integendeel, Te Gussinklo’s Wereldziel (waarbij hij zich schatplichtig toont aan Plotinus en Keyserling) is verre van logisch: ‘Een geur van zwavel hangt om die Wereldziel heen, een geur van moerasachtige dampen; en moerasachtig borrelend en stomend zonder vaste structuur is zijn bestaan – wensen, verlangens, soms verdichtend tot vormen en patronen, schijngestalten en spiegelingen.’ Uit die Wereldziel vloeit een grote veranderingskracht voort: het veelomvattend streven naar iets waar Te Gussinklo ook de precieze woorden niet voor kan vinden: ‘Waarnaar streven...? Naar onbeperktheid. Naar almacht. Naar goddelijkheid – meer, meer, meer, anders, dit is het niet: de vervulling van het altijd weer wijkende en wegglijdende – alles zijn, alles hebben.’

Insecten

Dat lijkt vaag geformuleerd, maar het is een welbewust gezochte vaagheid: waar Te Gussinklo op doelt is uiteindelijk te groot voor woorden. Een zekere mystiek valt zijn ‘Wereldziel’ niet te ontzeggen, maar zoals Wittgenstein al vaststelde: het mystieke toont zich wel. Hij probeert te laten zien wat hij bedoelt aan de hand van een historisch verhaal, waarin eerst landen en daarna religies als personages optreden: de wereldgeschiedenis als een spel van collectieven, met verlangens, passies zoals ook mensen die kennen – je herkent er de romancier in.

Een belangrijke metafoor ontleent hij daarbij aan de evolutie en het verschijnsel dat sommige soorten in die evolutie op een gegeven moment uitontwikkeld zijn. Dat legt hij uit aan de hand van het insectenleven. Die diersoort – zonder skelet, met vleugels – is op de grenzen van zijn mogelijkheden gestuit: groter groeien zat er niet in, de beestjes konden in de survival of the fittest niets meer doen dan zich heel snel en veel voortplanten, maar werkelijke ontwikkeling was onmogelijk. Daarvoor zou een mutatie moeten optreden, een sprong in het onbekende. Ook naties en religies lopen zo tegen hun figuurlijke grenzen aan, stelt Te Gussinklo.

Het nadeel van de grote greep is dat het essay regelmatig aan de oppervlakte blijft steken. Zo is zijn verslag van bloei en aftakeling van het Spaanse Rijk sinds de middeleeuwen een schoolvoorbeeld van wat in de voetbalverslaggeving ‘scorebordjournalistiek’ is gaan heten: zijn analyse voegt daar niets aan de feiten toe. Toen het de Spanjaarden voor de wind ging – groei, verovering van koloniën, ondernemingszucht – was het land aangeraakt door de wereldziel, toen het verval inzette, was die begeestering verdwenen. Het heeft de logica van de cirkelredenering, maar voegt bar weinig toe aan wat er in de handboeken (of op Wikipedia) over die periode te vinden is. Daarbij komt een te simplistische weergave van de reconquista, die nooit een gecoördineerd project was, maar een eeuwenlange opeenvolging van ad hoc-oorlogjes tussen lokale heersers.

Simplisme is nu eenmaal de keerzijde van de grote greep. Wij zullen aan god gelijk zijn (waarvan de ondertitel trouwens en voor eeuwig bestaan luidt) is dan ook geen boek om alleen op historische accuratesse af te rekenen; de waarde zit vooral in wat de verbeelding van de schrijver aan nieuwe beelden toevoegt.

Daarbij blijkt Te Gussinklo het best op dreef als hij het heeft over de landen, culturen en religies waarmee hij de meeste affiniteit heeft. Zo laat hij zien hoe het christendom (dat bij hem dichter bij de protestantse dan de katholieke of orthodoxe traditie staat) door zijn aandacht voor het innerlijk en het geweten veel ruimte schiep. Die leverde de gelovigen aan de ene kant grote vrijheid op, maar zorgde er ook voor dat burgers vervolgd konden worden om wat er zich in hun gedachten af zou spelen. Zie de heksenvervolgingen, zie het bloeddorstig antisemitisme.

Islam

Heel anders treedt hij de islam tegemoet, die voor Te Gusslinklo niet meer is dan een strijdersgodsdienst waarvan de ijzeren regels de verschillende stammen er niet van weerhouden elkaar onophoudelijk naar het leven te staan. Zijn weerzin drijft hem er zelfs toe te stellen dat de onvruchtbaarheid van de grond in Noord-Afrika aan die religie te danken is. Dat is wat al te dol en het is dan ook bij de lange filippica tegen de moslims dat je je ernstig afvraagt waar Te Gussinklo nu precies heen wil. Ook al omdat hij zijn wereldorde zo nadrukkelijk ophangt aan natiestaten en religies, twee fenomenen waarvan je je met recht kunt afvragen of die in de eenentwintigste eeuw nog wel dominante categorieën zullen zijn.

Maar met die gedachte blijk je buiten de waard gerekend te hebben, want Te Gussinklo heeft een eigen mutatiesprong in petto. Hij verlaat de cultuurpessimistische grondtoon van zijn analyse en besluit Wij zullen aan God gelijk zijn met een openbaringachtig slothoofdstuk. Daarin schetst hij pardoes een nieuwe en bevrijde mens, ten diepste verrijkt door de digitale technologie. Het is een uitsmijter waar je niet een-twee-drie in kunt geloven, maar scepsis is geen bezwaar. De waarde van dit soort wereldomspannende essayistiek schuilt óók in de tegenspraak die het uitlokt.

Heel goed geredigeerd is Wij zullen aan God gelijk zijn niet, het is een dóórgeschreven betoog waarin weleens een haakje geopend wordt, zonder dat het zich ooit sluit. Dat is een tekort, maar het is precies het soort oneffenheid dat de charme uitmaakt van dit hoogst merkwaardige essay.

    • Arjen Fortuin