Frustrerend dat slavernijherdenkers telkens om subsidie moeten bedelen

In omvang en ernst doet de slavernij niet onder voor de Holocaust. Maar in de herdenking ervan kan het contrast niet groter zijn, betreuren Anouk Eigenraam, David Röling en Nienke Venema.

‘Geen subsidie meer voor herdenking slavernij’, kopte Het Parool op 8 februari. Ophef alom. Het bleek wat genuanceerder te liggen: in 2016 loopt de subsidietermijn af, in mei komt minister Bussemaker met een voorstel voor verdere subsidieverlening via cultuurfondsen. Die zullen dan ook bepalen wie de herdenking mag organiseren. Onzekerheid dus.

Toch liet de minister weten „zeer te hechten” aan de slavernijherdenking. Haar bezwerende woorden verhullen echter een aantal principiële misstanden. Is het bijvoorbeeld niet vreemd dat de overheid ruim 150 jaar na de afschaffing van slavernij überhaupt nog moet nadenken over een structurele vorm van herdenking?

Het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee), dat deze herdenking sinds 2002 organiseerde, krijgt sinds vorig jaar geen subsidie meer. Sindsdien moet het instituut elk jaar weer een aanvraag indienen, nu bij het Mondriaan Fonds, en afwachten of die wordt gehonoreerd.

Het gaat niet over enorme bedragen. De herdenking wordt jaarlijks voor 50.000 euro georganiseerd. Een halve ton is niet weinig, maar vergelijk het even met het Nationaal Comité 4 en 5 mei dat een instellingssubsidie krijgt van 4,5 miljoen euro. Daarnaast krijgt het nog eens bijna een miljoen van het Nationaal Fonds voor Vrede, Vrijheid en Veteranenzorg (bijeengebracht door de loterijen) en nog een geoormerkt miljoen van het rijk. Alles bij elkaar een bedrag dat 130 keer zoveel is als het bedrag dat aan de slavernijherdenking wordt besteed.

Van al die gelden organiseert het comité behalve de Nationale Dodenherdenking op de Dam ook Bevrijdingsdag en tal van onderwijsprojecten. Het comité denkt derhalve continu na over hoe het relevant blijft en hoe het de herinnering aan WOII levend kan houden. Kortom, met zijn bestaansrecht. Bittere noodzaak omdat er steeds minder ooggetuigen in leven zijn.

Maar het Nationaal Comité 4 en 5 mei hoeft niet ieder jaar opnieuw subsidie aan te vragen. Nabestaanden van WOII-slachtoffers en overlevenden hoeven niet elk jaar af te wachten of er wel een herdenking is. De vraag of er sowieso structureel herdacht moet worden, is gelukkig niet aan de orde. Waarom gaan we dan anders om met de herdenking van de slavernij? Waarom is hiervoor nog geen nationaal comité?

Het feit dat de slavernijherdenking volgens de minister thuishoort bij cultuurfondsen zegt misschien wel genoeg. Als je erover nadenkt is het bijna beledigend; alsof de herdenking van de slavernij een ‘culturele’ uiting betreft, die net als een willekeurig toneelgezelschap elk jaar zijn relevantie moet aantonen.

Wie een historische analogie wil: tijdens de systematische moord op de Nederlandse Joden stonden Nederlanders voor een groot deel aan de zijlijn. Zo niet tijdens de slavernij: Nederland speelde een zeer actieve rol in de trans-Atlantische slavenhandel via de West-Indische Compagnie (,,die VOC-mentaliteit”). Zo bezien getuigt het van een sadistisch soort historische ironie om de slavernijherdenking uit te besteden via een wedstrijd bij de subsidieverdelers van het Mondriaan Fonds. Het laat zich raden wat er zou gebeuren als de minister dat zou proberen met de Nationale Dodenherdenking.

Zeker, de slavernij is langer geleden dan WOII. Maar ook weer niet zo verschrikkelijk lang geleden. De overgrootouders van de huidige generatie nazaten van slaven hebben de afschaffing nog meegemaakt. Deze nazaten hebben de verhalen van hun grootouders daarover dus nog kunnen horen. Als onze omgang met de slavernijherdenking van voorspellende waarde is voor de herdenking van de Holocaust, kan het Nationaal Comité 4 en 5 mei maar beter flink gaan sparen voor als de subsidie over 150 jaar in twijfel wordt getrokken.

Afgezien daarvan is er voldoende aanleiding voor herdenking in het hier en nu: de erfenis van de slavernij is belangrijk voor significante minderheden. De politiek heeft bovendien alle aandacht voor moderne vormen van slavernij, zoals die in kleding- en techsector. Of denk aan de ontvoering van honderden kinderen door Boko Haram en de slavendrijvers van IS. Daarbij: de gedachte dat zwarten ‘minder’ zijn dan blanken leeft nog steeds. Kortom, genoeg handvatten voor educatie en herdenking.

De afschaffing van de slavernij verdient niet alleen een plek in de geschiedenisboekjes, maar ook in ons collectieve geheugen. Organiseer die herdenking toch naar het voorbeeld van het Nationaal Comité 4 en 5 mei: met een langjarig en breed gesteund comité en een structurele instellingssubsidie van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Dat hoeft heus niet meteen miljoenen te kosten. Maar meer dan een halve ton per jaar is deze schaduwkant, die ook bij onze geschiedenis als handelsnatie hoort, toch wel waard?

NRC-redacteur Anouk Eigenraam en David Röling zijn beiden historicus, Nienke Venema is politicoloog. Alle drie schrijven ze dit op persoonlijke titel en zijn ze senior fellow van Humanity in Action, een stichting die onderwijsprogramma’s over mensenrechten organiseert.