Eksit: een ‘fijn hol’ in een dolle tijd

Uitgaan in Rotterdam een hopeloze onderneming? Een kleine stap voor de mensheid, maar een reuzensprong voor een jongere? Je kunt het je niet meer voorstellen, in de kosmopolitische euforie van de Markthal en na decennia gabberhakken in disco’s en clubs – maar toch was het ooit zo. In de jaren zeventig.

In dat Rotterdam waren zat bruine biljartcafés voor volwassenen die graag meezongen met de jukebox; er was discotheek Bristol voor soul kickers. Maar de eerste lichting langharige alto’s, jongeren die het rock, drugs en sekslevengevoel kweekten op hun tienerkamers, moesten het doen met een luttele vierkante kilometer.

Die besloeg ongeveer de loopafstand van West-Kruiskade naar Westblaak. Van kunstenaarscafé De Drie Ballons, afgeladen met spijkerpakken die glazen bier wegklokten op het ritme van Lou Reed of Neil Young, naar Melief Bender of de Twijfelaar. Plekken waar allerlei interessant, meer of minder vermolmd wrakhout uit de late jaren zestig aanspoelde. Als 16-jarige jutter kon je er je hart ophalen.

Maar het zenuwcentrum van de alternatieve Rotterdamse jeugdcultuur lag aan de zuidkant van deze omgekeerde Bermudadriehoek. Dat was jongerencentrum Eksit (1970-1981) aan de Eendrachtstraat, waar hippies, muzikanten, schrijvers, dichters en zolderkamerfilosofen samenstroomden. Er werd gedronken, geblowd – en gedeald, lang vóór het gedoogbeleid.

Het pand is al jaren geleden gesloopt, maar de geschiedenis van dat roemruchte jongerencentrum (een ‘club’ zou je het nooit hebben genoemd) is nu vastgelegd in Eksit van de journalist Kees Vermeer.

Het toevluchtsoord (aanvankelijk ‘Exit’) werd geboren uit nooddruft. Initiatiefnemer Theo Hensen (toen 20 jaar, nu werkzaam als ‘pleinproducent’) legt het in Vermeers boek zo uit: ‘We hadden lang haar en we voelden ons paria’s. […] Overal werd foute muziek gedraaid. In De Drie Ballons hoorde ik op een zaterdagochtend het personeel eens tegen elkaar zeggen: ‘hèhè, eindelijk onze eigen muziek’, terwijl ze iets afschuwelijks opzetten. Toen dacht ik: nu is het afgelopen.’

Uitbaters

Hensen werd getipt over een oud schoolgebouw waar een clubhuis was gevestigd, en wist zich bij eigenaren en uitbaters naar binnen te praten. Neem het maar over, jongen. Dat deed hij met ex-onderwijzer Frank van der Meijden voor de programmering. Eksit was geboren (de naam sloeg op het zoeken naar een uitgang uit de burgerlijke uitgaanswereld). Er kwam subsidie, voor het ‘jongerenwerk’.

Het centrum werd pijlsnel een regionale trekpleister, het Rotterdamse antwoord op Paradiso. De lijst buitenlandse artiesten die er optraden, is indrukwekkend, van culthelden als Al Stewart (1971) en Kevin Ayers (1970, 1971, 1976) tot latere topacts als Judas Priest (1976), The Police (1977), Talking Heads (1978) en U2 (1981), de laatste voor 200 tot 300 man. Ook The Sex Pistols maakten hun opwachting (1977). Op een foto in het boek zijn hun rattige jongenskoppies te zijn.

Van eigen bodem kwamen Armand, Bintangs, Gruppo Sportivo, Herman Brood, Doe Maar en vele anderen.

Thuishaven

Maar meer dan een concertzaal was Eksit een atmosfeer; de thuishaven voor alles wat wild en hip was in Rotterdam en omstreken. ‘Een fijn hol’, zoals zangeres Frédérique Spigt in het boek zegt. Een flashback uit eigen puberbrein: Hells Angels die dinosauruspasjes maken op Californische gitaarmuziek; gelach en gegil uit de belendende, rood verlichte panden waar J.J. Cale uit de ramen waaide; Herman Brood tollend uit de toiletten, arm in arm met meisjes van schoolgaande leeftijd. Kortom, een dolle tijd.

Behalve muziek bood het centrum theater, film en natuurlijk politieke of maatschappelijk bewuste discussies. Aan de vooravond van de gemeenteraadsverkiezingen van 1972 gepresenteerd door VPRO-antiheld Barend Servet. En zoals Amsterdam Aloha had, zo had de Rotterdamse jeugd De Eksitkrant van Ruut Ramsaaijer.

Vanaf de late jaren zeventig, de nadagen van punk, werd de sfeer ruiger. Vermeer: ‘De maatschappij werd ruwer en ook in Eksit was de sfeer soms grimmig.’ De laatste avond, 31 oktober 1981, ‘ontaardde zowel binnen als buiten in vernielingen en vechtpartijen tussen bezoekers onderling en met de politie’. Het was ‘echt naar’.

Geen wonder. De jaren zeventig waren voorbij. Flash forward uit eigen brein: nihilisme, ronddansende natte herdershonden en klerenkasten met strakke ‘White Power’ T-shirts, bij een nieuwe Rotterdamse uitgaansgelegenheid, aan de voet van de Euromast.

Eksit biedt een nostalgisch overzicht, aan de hand van gesprekken met Hensen, Van der Meijden, programmeur Leo Loos en andere betrokkenen. Zoals veel jubileum- of herdenkingsboeken raakt ook Eksit hier en daar buiten adem van bewondering, en wordt er veel in- en weinig uitgezoomd (‘De maatschappij werd ruwer’ – zeg dat wel, buurman!).

Maar dat is bijzaak. Dat dit centrum nu eindelijk een kroniek heeft is mooi: Eksit was te groot om geruisloos in de mist te verdwijnen. En een nieuwe ‘groot poppodium’ kreeg Rotterdam niet meer, klaagt Hensen.