Eerste Kamer, dat politieke rustoord kan gemist worden

Verkiezingen voor instellingen die over hun houdbaarheidsdatum heen zijn, is volgens Jan Drentje slecht voor vertrouwen in de politiek.

illustratie pavel constantin

Afgelopen woensdag mochten we stemmen voor de Provinciale Staten, bijna opgeheven door PvdA-minister Plasterk vanwege hun gebrek aan bestuurlijk belang. Centraal staat de indirecte keuze voor de Eerste Kamer, maar als het aan de VVD ligt heeft die haar langste tijd gehad. Op verzoek van senator en commissariatenverzamelaar Loek Hermans stelt het kabinet binnenkort de zoveelste staatscommissie in, om voor 2017 een advies uit te brengen over de werking van het parlementaire stelsel.

Alsof er in 2006 geen dik rapport met aanbevelingen is uitgebracht door de Nationale Conventie. Alsof er geen advies is gegeven over het kiesstelsel door een heus Burgerforum. Alsof er geen democratic audit is uitgevoerd door een keur van politicologen, resulterend in stevige hervormingsvoorstellen. Allemaal niets mee gedaan. De staatscommissie kan in een paar maanden met haar werk klaar zijn, gelet op het vele voorwerk dat is verricht. Dan is de politiek aan zet, om deze aanbevelingen te vertalen in wetgeving. En daar wringt de schoen: wijzigingen van het stelsel hebben, zoals Rutte meteen aangaf, geen prioriteit.

Aanleiding voor het verzoek van Hermans is de onvrede over de toegenomen politieke rol van de Eerste Kamer nu meerderheden aldaar alleen kunnen worden gevormd als een aantal fracties in de Tweede Kamer tevreden worden gesteld. Hierdoor is de Eerste Kamer een soort hefboom geworden voor een meer dualistische verhouding tussen regering en parlement.

Dat is zo gek nog niet. Chronisch waren immers de klachten over dichtgetimmerde regeerakkoorden die van het parlementaire debat een rituele dans maakten. Nu moet de lenige Rutte akkoorden smeden, waarbij de oppositie gehoor krijgt. Ik verbeeld mij dat dit de kwaliteit van de wetgeving in deze kabinetsperiode ten goede is gekomen.

Deze nieuwe rol van de Eerste Kamer als anker voor het dualisme in Tweede Kamer is natuurlijk oneigenlijk. De senaat moet toezien op de kwaliteit van wetgeving en heeft een zeer beperkte representatieve functie, aangezien de leden niet direct worden gekozen. Er is door de Nationale Conventie al voorgesteld om de rol van de Eerste Kamer te beperken tot een eenmalig terugzendrecht, zoals in de meeste Europese landen het geval is: indien wetsvoorstellen van onvoldoende kwaliteit zijn, moet de Tweede Kamer haar werk overdoen. Ook mogelijk is de Eerste Kamer op te heffen en deze wetgevingstaak onder te brengen bij een Kamer van de Raad van State – wier adviezen daarmee aan gewicht winnen. Al in 1848 tekende Thorbecke aan dat de Eerste Kamer beter gemist kon worden.

Indien de senaat immers een politieke rol van betekenis zou willen spelen, kwam deze in strijd met het representatieve orgaan dat hiervoor bedoeld is – wat nog steeds de argumentatie van Hermans c.s. is. Thorbecke was vooral beducht voor een oligarchisch residu in de staatsinrichting. Zo ongeveer wat de Eerste Kamer nu is: een politiek rustoord voor beroepsnetwerkers op leeftijd.

Wat betreft de werking van het parlementaire stelsel komen de adviezen van de afgelopen decennia op het volgende neer. De kiezer wil iets te kiezen hebben als het gaat om de regeringsvorming. Fractieleiders paraderen tijdens verkiezingen als de nieuwe premiers van Nederland, maar wat uiteindelijk uit de coalitie-tombola komt, is een Haagse verrassing.

Hier tekent zich de figuur af van de gekozen minister-president die zelf zijn ministersploeg samenstelt. Durft de politieke elite dit aan? Het is een kans om meer dualisme te creëren tussen regering en parlement, zodat Kamerdebatten er daadwerkelijk toe doen – wat het aanzien van de politiek bij het publiek ten goede komt.

Dat was ook de teneur van de adviezen van het brede Burgerforum. Kamerleden zouden zich onafhankelijker moeten kunnen opstellen. Het voorstel was de kiezer óf op een partij óf op een persoon te laten stemmen.

Al deze voorstellen komen de democratische werking van het representatieve stelsel ten goede. Maar: dat is niet wat Hermans en de zijnen motiveert. Zij maken zich vooral zorgen over de positie van de uitvoerende macht. Zij willen kunnen rekenen op stabiele meerderheden. Een kabinet moet zonder al te veel gedoe in de Kamer zijn plannen kunnen uitvoeren.

Eerder maakte voormalig werkgeversvoorzitter Wientjes zich al zorgen over de regeerbaarheid van dit land. Me dunkt – in korte tijd heeft Rutte een keur aan hervormingsvoorstellen erdoor gekregen, dankzij de bereidheid compromissen te sluiten met verschillende partijen: precies wat past bij ons stelsel. De kiezer kan hierover zijn oordeel vellen, maar of Rutte zijn werk voort kan zetten, dat maken de partijelites vervolgens onderling uit.

Dat is de kern van het politieke probleem anno 2015. Bij de formatie mag de koning buitenspel zijn gezet, de kiezer buitenspel zetten gaat niet. Daartegen helpt geen staatscommissie die zonder enige urgentie huiswerk over moet doen. En wat zeker niet bijdraagt aan vertrouwen in de politiek, is het houden van verkiezingen voor instellingen die over hun democratische houdbaarheidsdatum heen zijn.