Een vervloekt huwelijk

Een Spaanse man die burgerlijke conventies op de hak neemt blijkt een nieuwe vorm van quasi-literatuur. Dan liever de weemoedige komedie van Joachim Meyerhoff.

‘Verveeld echtpaar’, in het Britse Paignton, 1992 Foto Martin Parr / Magnum Photos/ HH

De klassieke openingszin van Tolstojs roman Anna Karenina (‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze’) lijkt een niet mis te verstane aanwijzing voor de beginnende romanschrijver. Hoed je ervoor te schrijven over geluk, zo zegt Tolstoj; alleen met ongeluk valt literatuur te maken. Zo is hij althans veelvuldig begrepen.

Want literatuur spreekt over het bijzondere, eenmalige en enkelvoudige, terwijl wetenschap en filosofie zich met het algemene bezig houden. Als geluk altijd en voor iedereen hetzelfde is, dan moeten we dat dus aan de laatste overlaten. En is literatuur uit haar eigen aard veroordeeld tot somberheid en miezemuizerig chagrijn. Wat je daarvan ook mag vinden, sinds Tolstoj hebben schrijvers hun uiterste best gedaan om dat vooroordeel te bevestigen. Dat heeft mooie boeken opgeleverd, maar een toverformule is het niet. Neem de zojuist in het Nederlands vertaalde roman Echtscheiding in de lucht van de Spaanse schrijver Gonzalo Torné (1976) . Een boek lang (en ruim 400 pagina’s is dan héél dik) is daarin een zekere Joan-Marc Miró-Puig bezig uit te leggen waarom zijn huwelijk met een hysterische Amerikaanse een mislukking geworden is.

De openingszin van het boek is nog veelbelovend: ‘We gingen naar het kuuroord om te redden wat er nog restte van ons vervloekte huwelijk.’ Maar al snel gaat het mis. Twee bladzijden verder weet Torné zich, bij monde van zijn hoofdpersoon, al niet meer te beheersen in het ventileren van zijn weerzin. Een ‘gezette vrouw’ kruist zijn blik, ‘het netwerk van spataderen dat het vlees van haar dikke benen op zijn plaats hield leek het elk moment te kunnen begeven.’

Mooi gezegd? Welnee, een aanstellerige vorm van Weltschmerz die zich over de lezer uitstort in vierhonderd bladzijden gezeur en voorspelbare dialogen. Levensecht zal het allemaal wel zijn, maar literatuur is méér dan het opendraaien van de kraan van de alledaagsheid. Van de weeromstuit gaat zelfs Torné’s openingszin tegen hem werken. Want is ook dat ‘vervloekte’ niet meteen al een woord teveel? Show, don’t tell. Torné lijkt er niet van te hebben gehoord.

‘Een vernietigend pleidooi tegen het huwelijk’, heeft de Spaanse kwaliteitskrant El País deze roman kennelijk genoemd. De uitgever heeft het pront op het voorplat gezet alsof dat, ruim honderd jaar na Tolstoj, dé literaire vernieuwing zou zijn. In werkelijkheid illustreert het de mismoedigheid waarmee zoveel hedendaagse romans pontificaal open deuren intrappen. Aan het einde van de negentiende eeuw waren mislukkende huwelijken misschien nog stof voor schandaal. Nu zijn ze het literaire cliché waarvan gelukkig getrouwde lezers smullen, omdat het met hen goddank niet zo beroerd is gesteld.

Zo is de kritische roman die de burgerlijke conventies op de hak nam een nieuwe vorm van quasi-literatuur geworden, even soepel af- en binnenglijdend als ooit de dokters- of streekroman waartegen hij zich afzette. Van de weeromstuit begint nu ook die andere, ooit verdoemde helft van de letteren te verschuiven. Steeds meer genres die voorheen nauwelijks serieus werden genomen krijgen een literair aureool. Uitgeverijen lonken inmiddels openlijk naar de streekroman.

Dat is níet het genre van de roman Wanneer wordt het eindelijk weer zoals het nooit is geweest van de Duitse acteur en schrijver Jachim Meyerhoff – al speelt het boek zich wel af in het nogal excentrisch gelegen Noord-Duitse Sleeswijk. Al in de titel weerspiegelt zich de ironisch-weemoedige toon waarmee Meyerhoff zijn jeugdjaren als zoon van een zenuwarts, hoofd van een psychiatrische instelling, vertelt. Het boek (in werkelijkheid het tweede deel van zijn autobiografie) gaat terug op een theaterproject waarin hij met veel succes zijn herinneringen ophaalde aan een leven te midden van ‘gekken’. Wie het boek leest, begrijpt dat volkomen.

Want Meyerhoff is een meester in de scherpe observatie die nooit de grenzen van het mededogen uit het oog verliest. Gezegend met een onverwoestbare humor, die af en toe hilarisch uitbarst, beschrijft hij de imposante gestalte van zijn vader, die op latere leeftijd steeds verder ineenschrompelt. Aangrijpend is het portret van zijn moeder, die eigenlijk liever in Italië had gewoond maar na een korte escapade toch maar weer terugkeert naar het grauwe Sleeswijk. Onbetaalbaar is het bezoek van een hoogwaardigheidsbekleder, waarbij alles in het honderd loopt en eindigt als klucht. Droevig de dood van een van zijn broers. En even curieus als respectvol beschreven het gedrag van de patiënten in de kliniek waar het gezin woont. Dubbelzinnig in zijn nostalgische bedrieglijkheid is het beklijvende slotbeeld van het boek. Grote literatuur is Wanneer wordt het eindelijk weer zoals het nooit is geweest niet. Dat pretendeert het ook niet te zijn. Wel is het een knap en vakkundig geschreven herinneringsboek waarin het geluk overheerst zonder ooit kitsch of jeugdsentiment te worden. Een weemoedige komedie: het er daarbij goed van af te brengen is even moeilijk als het schrijven van een verpletterende tragedie.