De kinderen veranderen niet

Een tweeling in de pijp, 1976.

Het is bij negenen als Roel Zaal zijn stemt in de klas verheft en zegt: „Kom even hier.” Twee jongens van elf en twaalf komen aan zijn tafel staan. Waarom waren ze te laat? Waarom gaan ze zonder iets te zeggen zitten? En waarom gebeurt dat zo vaak? De jongens kijken voor zich uit. „Het is de eerste keer deze week”, zegt de een. De ander zegt dat zijn moeder vanmorgen zo vroeg ging werken, dat hij zelf voor zijn ontbijt moest zorgen. Zijn vriendje kwam hem ophalen en toen waren ze nog even achter de computer gaan zitten voor een spelletje. „Het is in elk geval aardig dat jij hem bent gaan ophalen”, zegt Roel Zaal.

Zestien leerlingen zijn er vanochtend, de rest is buiten de klas aan het werk, en ze vinden het lastig om niet zelf aan het woord te zijn. Telkens wanneer Roel Zaal zijn kruk-op-wieltjes naast een tafeltje heeft geparkeerd en een of twee kinderen apart helpt, begint de rest te lopen, te praten en te lachen.

Meer dan veertig jaar is Zaal onderwijzer in Amsterdam. Al die tijd heeft hij lesgegeven op deze kleine school, De Scholekster, de Montessorischool in de Pijp. Hij heeft de buurt tussen 1974 en nu zien veranderen van een arbeiderswijk met grote gezinnen in kleine huisjes, naar een wijk met hippe restaurants voor jonge gezinnen en studenten. En voor zover er nog arbeiders wonen, dan zijn ze vaker van niet-Nederlandse origine.

Hij heeft gezien hoe de kinderen van de jaren zeventig – met weinig spullen, vaak in dezelfde kleren, armer – plaatsmaakten voor leerlingen die ’s ochtends hun mobiele telefoon in het mandje leggen en die zeggen dat ze modeontwerper of geoloog willen worden. „Geoloog”, vraagt Zaal. „Heb je dan stenen en fossielen thuis?” Ja, knikt het meisje. „Ik ook”, zegt hij. „Ik ben zelf haast een fossiel.”

Volgende week staat hij hier voor het laatst voor de klas. Hij verruilt De Scholekster voor een school in Bussum. Hij steekt zijn kin omhoog: 63 jaar en hij begint nog aan een nieuwe school.

In die veertig jaar heeft Zaal vooral de school zien veranderen. En dan bedoelt hij niet zozeer dat het gebouw twee keer is gerenoveerd. Toen hij begon was het nog in essentie 19de-eeuws: marmeren trappen, brede gangen met nissen en in elke klas rammelende, gietijzeren radiatoren waar de kinderen natte kleren op droogden als het regende.

Nee, de grote verandering is hoe het onderwijs georganiseerd wordt. Hoe het formeler is geworden en gestandaardiseerd. De Scholekster is een van de laatste scholen in Amsterdam die is begeleid door het KBA, een door toenmalig wethouder Lodewijk Asscher ingesteld team dat in hoog tempo scholen een zorgwekkende achterstand moest helpen inlopen. Dat is gelukt: het aantal door de Onderwijsinspectie als ‘zwak’ beoordeelde scholen nam snel af.

Maar het KBA legde telkens een en dezelfde meetlat langs de scholen, waardoor de diversiteit van het onderwijs steeds verder werd ingeperkt. Roel Zaal vindt dat de schoolleiding van De Scholekster te gemakkelijk heeft gebogen voor de aanbevelingen. Van het Montessori-onderwijs waar hij veertig jaar geleden voor koos, blijft weinig over, vreest hij. Dat is ook waarom hij vertrekt.

Gescheiden ouders

De kinderen, zegt Zaal, zijn niet veranderd. Nou ja, er zijn tegenwoordig veel meer kinderen met gescheiden ouders. Vroeger waren het er een handvol. „Misschien maakt dat de impact nu wel anders dan toen.”

En er zitten meer islamitische leerlingen in de klas. In 1974 was het een enkeling. Er zitten nu kinderen in de bovenbouw van wie de moeder zelf op deze school heeft gezeten. Islamitische kinderen mogen minder van hun ouders. Zwemmen, schoolreisjes – vaak problematisch. „We hebben wel eens een meisje heen en weer gereden vanuit Otterlo. Dat hebben haar ouders nooit geweten.”

Roel Zaal begon in de jaren zeventig met een fietsvakantie voor de bovenbouw. Fietsten ze naar Otterlo op de Veluwe. Onderweg kamperen in tenten. Samen koken. In latere jaren werden ook de kleinere kinderen naar Otterlo gebracht.

Ome Louis ging mee, de spil van de speeltuin op het Henrick de Keijserplein, die zo goed aardappelen kon bakken. En in de winter stond ome Louis nachtenlang op het plein te sproeien om er een ijsbaantje van te maken. „Zo vind je ze niet meer”, zegt Zaal.

De Otterlo-reisjes staan jaar na jaar prominent in de fotoalbums van de school. Tot ergens in de jaren 2000. Toen is het reisje doodgebloed, zegt Zaal – net als de fotoalbums trouwens. De ouders maakten vaker bezwaar. En de Onderwijsinspectie vond het niet meer goed dat de kinderen langer dan drie dagen van school waren. „Als je bedenkt wat er toen mogelijk was met kinderen. We organiseerden een nachtdropping op de Veluwe! Dat moet je nou niet in je hoofd halen. De ouders klimmen in de hoogste boom. Alsof de pedofielen nachtenlang achter een boom staan te wachten.”

Niet dat ze ooit een kind zijn kwijtgeraakt daar. „Eén keer is een meisje met ruzie weggelopen. Die werd door een automobilist teruggebracht. Dat is niet leuk hoor. We konden Otterlo alleen maar doen, omdat dát soort dingen niet gebeurde.”

Vertrouwen. Roel Zaal kan in één woord samenvatten wat de kern van onderwijs is. Zoals de jongetjes die hem uitlegden waarom ze te laat waren. Zaal sprak ze ernstig toe, maar luisterde even serieus naar hun verhaal. „Anders vertellen ze me de volgende keer niks.”

Als hij zegt hoe kolossaal veel tijd leraren nu aan administratie kwijt zijn, gaat dat ook over vertrouwen. In de jaren negentig moesten ze als team voor het eerst een schoolplan maken – van de inspectie. Nu schrijft de directeur het schoolplan, maken de leerkrachten groepsplannen en verwerken ze dagelijks de vorderingen van hun leerlingen in een computerprogramma. Het is een systeem waarmee leerkrachten en school zich verdedigen. Tegenover het wantrouwen van de inspectie. Tegenover de ouders.

Het is enerzijds wel te begrijpen, vindt Zaal. „Ouders vertrouwen jou hun kostbaarste bezit toe. Het is niet meer afdoende dat je zegt: we hebben alles gedaan om uw kind vooruit te helpen. Nee, je moet handelingsplannen laten zien, introductieverslagen. Om te bewijzen dat je gedaan hebt wat je zegt dat je gedaan hebt.”

Maar: „Helpt het echt als ik elke seconde van elke dag noteer wat ik met ze heb gedaan? Volgens mij zou intensiever contact met de ouders al beter zijn.”

Ouders van nu komen vaker naar de leraar toe. Ze weten al dat hun kind een leerachterstand heeft of dyslexie of een gedragsstoornis – een ‘stip’, zoals de school het noemt. „Het overleg met de ouders is intensiever geworden maar minder persoonlijk. Een oudergesprek is nu een uitwisseling van informatie. In een klaslokaal.”

Vroeger waren de ouderavonden ook wel bij ouders thuis. De vergaderingen konden doorlopen in een echt gesprek. Met een biertje op tafel. Soms waren ze pas om twaalf uur afgelopen. „Niet dat het ontaardde”, zegt Zaal. „Maar, laten we het zo zeggen, de feesten waren ruiger.”

Rolschaatsen

We staan op het Henrick de Keijserplein tussen spelende kinderen. Een jonge toezichthouder omhelst Roel Zaal. „Zo ADHD’er”, zegt die. De jongen grijnst en wendt zich naar een kind dat om een bal vraagt. „Met al zijn energie en flapuiterij houdt hij ze geweldig bezig”, zegt Zaal.

Als je ’s middags na vijven door de buurt loopt, zie je geen kinderen op de stoep spelen. Nog zoiets dat veranderd is. Hij groeide zelf op in de Kinkerbuurt in Amsterdam-West. „Je moest op zoek naar straten met asfalt voor je rolschaatsen.” De kinderen van nu spelen alleen nog in de speeltuin. „En dan gaan ze er ook nog op bezuinigen.”