Ben ik een brave rechter?

Rechter Joyce Lie vindt dat de Nederlandse rechters behoorlijk braaf zijn. En nee, niet in de zin van gehoorzaam of dociel.

illustratie Aart-Jan Venema

Nederland heeft brave rechters.

Brave rechters die, wanneer zij geen bewijs aantreffen dat een automobilist schuldig is aan het veroorzaken van een ongeluk met diep tragische gevolgen, hem vrijspreken van dood door schuld.

Brave rechters die, wanneer zij vinden dat van hen wordt verlangd een Syriëganger te veroordelen louter op basis van diens orthodoxe geloofsovertuiging, hem vrijspreken van het voorbereiden van terroristische misdrijven.

Brave rechters die, wanneer ze merken dat de geautomatiseerde werkwijze van het Centraal Justitieel Incassobureau ertoe leidt dat mensen slachtoffer worden van buitensporige boetes, dit met zoveel woorden in hun vonnis opnemen en de boetes terugdraaien.

Brave rechters die, wanneer ze vinden dat een wet over het bewaren van telecomgegevens een te grote inbreuk op de privacy van burgers maakt, die wet buiten werking stellen.

„Daar is toch juist niets braafs aan?”, zult u misschien denken, als u de geëvolueerde betekenis van het woord braaf in uw hoofd heeft.

Gelijk heeft u, maar gelijk heb ik ook.

Rechters zwoeren vroeger bij hun ambtsaanvaarding hun ambt uit te oefenen zoals het een braaf en eerlijk rechterlijk ambtenaar betaamt. En dát ‘braaf’ hield in: dapper, flink, moedig. In die in Nederland inmiddels vervlogen, maar in het Engels nog altijd springlevende betekenis (brave), is braafheid een deugd die, hoewel niet langer in de eed opgenomen, tot de standaarduitrusting van een rechter dient te behoren.

Dapper vonnis?

Een tijdje terug deelde ik op Twitter een vonnis waarin de rechter in niet mis te verstane bewoordingen het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had verklaard omdat de politie de belangen van de verdachte ernstig veronachtzaamd had. Een rechter reageerde op de tweet: „Dapper vonnis”, waarop een advocaat antwoordde: „Ervan uitgaande dat rechters altijd rechtspreken, bestaan ‘dappere’ vonnissen mijns inziens niet.” Daar was ik het aanvankelijk mee eens: een rechter moet tenslotte toch gewoon zijn werk doen, hoe onwelgevallig het oordeel voor één van de partijen of voor anderen ook zal zijn?

Maar na er een nacht over te hebben geslapen, wist ik: de advocaat had ongelijk. Ik herinnerde me een voordracht van Diederik Greive, hoofdofficier van het Parket-Generaal. Hij vertelde over het door Michel Foucault beschreven begrip ‘parrèsia’: de moed om de waarheid te spreken. De moed om, ook tegen de stroom in, te doen wat je juist acht, om te mishagen, zoals voormalig president van de Hoge Raad Geert Corstens het destijds zo elegant verwoordde in zijn installatierede.

Die moed, maar ook – daar wijst Corstens terecht op – de plicht om de oren niet te laten hangen naar de waan van de dag of de hardste schreeuw, komt in alle facetten van het rechterswerk terug. Niet alleen in de bewoordingen van het vonnis. Net zo goed in de raadkamer ten overstaan van collega’s, of tijdens de innerlijke beraadslaging die de alleensprekend rechter voert. Maar ook in het contact met de samenleving. Een heel mooi voorbeeld van dat laatste vond ik de rechter die zich voorafgaand aan de behandeling van een zaak over twee Syriëgangers, koud een week na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo, in de zittingszaal tot partijen, pers en publiek richtte. „We staan aan het begin van een strafzaak waarvan we natuurlijk kunnen zeggen dat het er een is als elke andere. Dat is deels waar en ook deels niet waar. (…) De gebeurtenissen in Parijs vorige week kleuren hoe dan ook de wijze waarop vanuit de samenleving zal worden gekeken naar hoe zaken als deze worden behandeld en beoordeeld. Maar dat neemt onder geen enkele omstandigheid weg dat de rechtbank in alle onbevangenheid en neutraliteit naar deze zaak zal moeten kijken vanuit de strafrechtelijke beginselen.”

De rechtbank sprak zoals gezegd de verdachte uiteindelijk vrij van het voorbereiden van terroristische misdrijven. Het consciëntieus gemotiveerde vonnis is wat mij betreft evenzeer een voorbeeld van rechterlijke moed: vanzelfsprekend viel immers te verwachten dat de reacties vanuit de samenleving niet mals zouden zijn, hoe zorgvuldig de motivering ook zou worden verwoord.

Ik geef hier geen waardeoordeel over de juridische inhoud van het vonnis of de uitkomst van die strafzaak. Waar het mij om gaat is dat de rechters in deze en in de andere zaken die ik schetste, de moed hebben gehad om tegen de stroom of tegen de macht in, datgene te doen wat zij juist achtten. Natuurlijk kun je zeggen dat dat part of the job is. Dat is ook gewoon zo. Maar vertel mij niet dat dappere vonnissen niet bestaan. De 2.500 brave rechters die ons land rijk is, grossieren erin.