Als ik nu een witoogeend zie, word ik helemaal gek

Als Arjan Dwarshuis (28) een zeldzame vogel ziet, laat hij alles uit z’n handen vallen en trekt hij eropuit. Zo zag hij al 4.138 vogelsoorten in ruim 45 landen. Maar deze passie kostte hem ook zijn relatie.

Is dat een ringsnaveleend? Arjan Dwarshuis draait razendsnel zijn hoofd en buigt naar voren. Hij doet het raampje van zijn oude Twingo open en tuurt door zijn wimpers. Dan door zijn verrekijker. Jammer, een gewone kuifeend. We rijden verder. Nog snel brood en bananen inslaan, tanken in Almere-Buiten en door naar de Oostvaardersplassen. Het doel van vandaag is een zeearend, en hopelijk zien we ook tussen de ongeveer dertigduizend eenden een paar ‘zeldzaamheden’.

Arjan (28) is vogelaar. Sterker nog, hij is een twitcher, iemand die alles uit zijn handen laat vallen als hij weet dat er ergens een zeldzame vogel te zien is. Met de 4.138 soorten die hij heeft waargenomen, uit ruim 45 landen, hoort Arjan bij de top van Nederlandse vogelaars. Het begon bij hem al toen hij acht jaar was. Hij speurde met zijn grootvaders verrekijker de tuin van zijn ouderlijk huis af en vond een goudvink tussen de struiken. Sindsdien kan hij zich geen andere manier van leven voorstellen. „Ik ben altijd uit het raam aan het kijken, ook in de auto. Op terrassen kijk ik steeds omhoog. Mijn leven wordt gedomineerd door vogels.”

Op zijn elfde begon Arjan een lijst bij te houden, sindsdien staat iedere vakantie in het teken van de dieren. Zijn ouders, groot Afrika-liefhebbers, namen hem vaak mee op safari. Maar hij raakte snel uitgekeken op leeuwen en olifanten. Zijn fascinatie voor roofvogels en uilen werd alleen maar groter. Volgend jaar reist Arjan de wereld over om het wereldrecord van verschillende soorten spotten in een jaar te breken. Dat staat nu op 4.341, hij wil er ruim 5.000 gaan waarnemen. De controle ervan werkt grotendeels op vertrouwen, maar hoe preciezer de soorten zijn omschreven, hoe beter. Foto’s en geluidsopnames kunnen daarbij helpen. Met zijn ‘Big Year’ wil hij meteen aandacht vragen voor uitstervende soorten, en sponsorgeld zoeken voor organisatie BirdLife International.

Hij kan een boel soorten nadoen

Op een winderige dijk langs het IJsselmeer bij Pampushaven speuren we een groep van duizenden kuifeenden en een paar grote zaagbekken af. „Als ik nu een witoogeend zie, word ik echt helemaal gek.” Door de telescoop zien we ze in subgroepen baltsen – „om de vrouwtjes nogmaals tot paring te verleiden” – en duiken naar zoetwatermossels. Deze wintergasten, die in Nederland overwinteren, blijven vrij lang onder water, soms wel een halve minuut. Dan weer zwemmen ze een stukje en vermengen verschillende groepen zich. Hoe kun je tussen al deze eenden de ene soort vinden waar je op hoopt? „Het is belangrijk om heel systematisch te werken”, legt Arjan uit terwijl hij een oog dichtknijpt en met het andere door zijn telescoop kijkt. „Je kan niet het ene deel van een groep goed bekijken en het andere deel links laten liggen.” Na het systematisch scannen van de dobberende eendenkliek (zonder zeldzaam resultaat) gaan we door naar de Lepelaarsplassen.

In het bos houdt hij halt, spitst zijn oren en begint te tjilpen, fluiten. ‘Pssshpshpsh!’, doet hij. „Hoeveel verschillende geluiden ik na kan doen? Oh, een boel”, zegt hij lachend. In een observatiehut komen we voor het eerst met mensen in aanraking. Daar denkt Arjan heel even zijn gewenste witoogeend te zien, medevogelaar Hans is niet overtuigd. „Loos alarm.” De donkere band op zijn snavel blijkt modder te zijn. Dat hoog in een boom op zo’n 300 meter afstand een heuse goudvink zit, daar zijn alle aanwezigen in de hut het over eens. „Kijk ’m nou eens zitten. Wat een prachtbeestje.”

Zijn ex kon er niet tegen

Arjan studeert dit jaar af in de archeologie en werkt, als hij niet op reis is, drie avonden per week in een Amsterdams café. Hij maakt onderscheid tussen twee soorten vrienden: die met wie hij de kroeg ingaat en met wie hij vogels kijkt. Bij de laatste maakt leeftijd niet uit. „Als je de hobby deelt, lul je toch alleen maar daarover.” Zijn ouders hebben hem altijd sterk gestimuleerd. „Ik ben een verwend nest, heb het geluk enig kind te zijn. Als ik een broertje of zusje had gehad, dan was er veel minder tijd en geld geweest om mij te laten vogelen.”

Niet iedereen weet even goed met Arjans levensstijl om te gaan. Zijn ex-vriendin, die zelf geen vogels kijkt, begreep het niet zo goed. „Ze vond het niet leuk dat ik ineens weg moest als we aan het eten waren, omdat ik had gehoord dat er ergens een zeldzaamheid te zien was. Ik kan op zo'n moment niet anders.” Zijn huidige vriendin heeft hij in het veld ontmoet. „Ze is geen twitcher, maar ze is op haar manier erg met vogels bezig. Ze doet haar afstudeeronderzoek naar de lepelaar bij Vogelbescherming Nederland.” Ze reist volgend jaar met Arjan mee op wereldreis.

Arjan hoeft zich straks sowieso niet alleen te voelen. Hij begint in Azië met drie vogelvrienden, in Afrika reist hij met een Keniaanse ranger. „Met anderen samen gaan is goed voor de motivatie. En met meer ogen kun je meer soorten zien.” Zelfs de twee keer dat hij een paar dagen in Nederland zal zijn, is hij van plan om te gaan spotten. „Dat wordt m'n enige sample uit Europa!”

Het is gaan regenen. Op twee uitkijkposten proberen we ons geluk nog te beproeven, maar de zeearend laat zich niet zien. „Dit soort dagen heb je vaker in de winter”, zegt Arjan teleurgesteld. Voor de laatste keer klapt hij de standaard van zijn telescoop in. Met gloeiende wangen en natte, koude voeten stappen we in de auto. Ergens tussen de Oostvaardersplassen en Almere stopt hij midden op de weg en doet hij een raampje open. „We zijn nog steeds aan het vogelen natuurlijk.”