Commentaar NRC: Verkiezingen zijn illustratie van een heuse systeemcrisis

Fors verlies voor de coalitie en een nog verder versplinterd politiek krachtenveld. Na de verkiezingen voor de Provinciale Staten van gisteren zijn het niet de onvermijdelijke peilingen die dit zeggen, maar is het realiteit. Een realiteit veroorzaakt door nog niet de helft van het aantal kiesgerechtigden, die bovendien formeel over iets heel anders diende te stemmen, namelijk hun provinciale vertegenwoordiging.

Maar het waren dan ook slechts in naam provinciale verkiezingen. De Haagse politiek – premier Rutte voorop – besloot maanden geleden al van deze stemming een vertrouwensvotum voor het kabinetsbeleid te maken. Dat heeft weer alles te maken met de voor de coalitie cruciale machtsverhouding in de Eerste Kamer die eind mei door de stem van de nieuw gekozen leden van de Provinciale Staten zal worden samengesteld.

Dat de kiezer weinig fiducie heeft in de coalitie van VVD en PvdA is duidelijk. Vergeleken met de Tweede Kamerverkiezingen van september 2012 is bijna de helft van de aanhang verdwenen. Maar wat het electoraat wél wil is evenmin duidelijk. Alle oppositiepartijen met uitzondering van de PVV en GroenLinks hebben gewonnen.

Grote partijen kent Nederland sinds gisteren niet meer. De grootste partij, de VVD, haalt nog niet eens zestien procent van de stemmen. Voor een meerderheid zijn minstens vier partijen nodig; een situatie die in de Eerste Kamer in elk geval tot halverwege 2019 zal voortduren. Hierdoor heeft het politiek surrealisme zich definitief gevestigd.

Zelfs met behulp van de zogeheten constructieve oppositiepartijen D66, ChristenUnie en SGP beschikt het kabinet van VVD en PvdA niet over een meerderheid in de Eerste Kamer. Een zesde partij zal nodig zijn om de coalitie, die na gisteren nog maar 21 zetels in de Senaat over heeft, de minimaal 17 voor een meerderheid benodigde extra zetels te leveren. Een dermate grote afhankelijkheid van anderen zal directe gevolgen hebben voor de daadkracht van het kabinet. Het kan nauwelijks nog eigenstandig regeren, maar zal omwille van het eigen voortbestaan vooral aan de wensen van andere partijen tegemoet moeten komen.

Toch heeft het kabinet Rutte geen andere keuze. Sterker nog, een volgend kabinet dat uiterlijk na de Tweede Kamerverkiezingen van maart 2017 zal aantreden, heeft eveneens geen andere keuze. De verbrokkelde samenstelling van de Eerste Kamer vormt immers een gegeven tot het voorjaar van 2019. Anders gezegd: de coalitievorming die nu in de Eerste Kamer gaat ontstaan zal onafhankelijk van de uitslag van Tweede Kamerverkiezingen bepalend zijn voor een volgende kabinetsformatie. Hierdoor krijgen de niet rechtstreeks gekozen leden van de Eerste Kamer, ooit bedoeld als dam tegen de waan van de dag, een uitermate pro-actieve politieke rol.

Ten tijde van de grondwetsherziening van 1848 zei de liberale Justitie minister Dirk Donker Curtius dat het nut van de Eerste Kamer meer gelegen was „in het voorkomen van het kwaad dan in het stichten van het goede”. Ruim anderhalve eeuw later kan geconstateerd worden dat de Eerste Kamer inmiddels zelf het ‘kwaad’ is geworden. De verkiezingen van gisteren hebben een heuse systeemcrisis blootgelegd.