Verbitterde schilder wenste zijn critici dood

Schilder R.B. Kitaj werd in 1994 genadeloos bekritiseerd om zijn tentoonstelling in de Tate Gallery. Twintig jaar later wordt hij gerehabiliteerd, onder meer met een expositie in het Joods Historisch Museum.

R.B. Kitaj, The Killer-Critic Assassinated by his Widower, Even, 1997. Olieverf en collage op doek. Astrup Fearnley Collectie Foto Thomas Widerberg/ R.B. Kitaj Estate

Het had het absolute hoogtepunt van zijn carrière moeten worden. Al meer dan dertig jaar woonde de Amerikaans-Joodse kunstenaar Ronald Brooks Kitaj (1932-2007) in Londen. Hij had er gestudeerd, was een gerespecteerd lid van de Royal Academy en trok op met kunstenaars als David Hockney, Lucian Freud, Francis Bacon, Leon Kossoff en Frank Auerbach. Hij had in 1976 zelfs een naam voor die vriendenclub van naoorlogse figuratieve schilders bedacht: de School of London. Nu, in 1994, werd hij geëerd met een groots retrospectief in de Tate Gallery. De zalen van het museum waren gevuld met zijn kleurrijke werken, van de vroege pop-artachtige collages tot de latere schilderijen vol literaire verwijzingen. Hier had hij zijn hele leven naartoe gewerkt.

Maar de kritieken in de Britse pers waren vernietigend. Met name de persoonlijke bijschriften die R.B. Kitaj bij zijn schilderijen had gemaakt vielen helemaal verkeerd: „pseudo-intellectuele onzin” volgens de critici. Andrew Graham-Dixon van The Independent concludeerde dat Kitaj „in plaats van de T.S. Elliot van de schilderkunst de tovenaar van Oz is gebleken: een kleine man met een megafoon aan zijn lippen”. James Hall schreef in The Guardian dat Kitaj een „dilletant is die het beste voor de dag komt als hij zijn boeken thuislaat”. En Brian Sewell noemde hem in de Evening Standard „een ijdele schilder, nog geen voetnoot waardig in de geschiedenis van de figuratieve kunst”.

Kitaj was er kapot van, herinneren zijn vrienden zich. Maar de boosheid sloeg om in blinde haat toen twee weken na afloop van de tentoonstelling – Kitaj zat op dat moment in Amerika aan het sterfbed van zijn moeder – zijn echtgenote, de Amerikaanse schilder Sandra Fisher, getroffen werd door een hersenbloeding en kort daarna op 47-jarige leeftijd overleed. Verscheurd door verdriet gaf Kitaj de schuld aan de kunstcritici. Zij hadden met hun anti-Amerikaanse en antisemitische artikelen voor zoveel stress gezorgd dat Sandra was overleden. „Ze hadden het op mij gemunt en ze hebben haar getroffen”, reageerde Kitaj in The Guardian. Uit wraak begon hij aan een serie verbitterde schilderijen waarin hij de critici dood wenste en die hij in 1997 op de zomerexpositie in de Royal Academy toonde. Datzelfde jaar keerde Kitaj voorgoed terug naar de Verenigde Staten. Geplaagd door depressies en parkinsonisme maakte hij in 2007 een einde aan zijn leven.

Een van die wraakschilderijen, The Killer-Critic Assassinated by His Widower, Even is vanaf morgen te zien op een expositie in het prentenkabinet van het Joods Historisch Museum in Amsterdam – de eerste tentoonstelling sinds 1970 die in Nederland aan R.B. Kitaj gewijd wordt. Op het doek staan twee rode figuren die een monsterachtig wezen met een giftige tong – de criticus – tegelijkertijd zowel beschieten als onderpissen. De compositie doet denken aan Goya’s beroemde schilderij Executie van de opstandelingen (1814) en aan Manets Executie van keizer Maximiliaan (1868). Wat Kitaj betreft had hij hiermee de oorlog verklaard aan de kunstkritiek. Hij noemde het gevecht de ‘Tate War’.

Paranoïde

Architecte Mary Jane (MJ) Long, die samen met haar echtgenoot Colin St John ‘Sandy’ Wilson jarenlang met Kitaj bevriend was, herinnert zich nog goed hoe buiten zinnen de kunstenaar was toen Sandra stierf. „Hij was zo boos, zo paranoïde. Na de expositie in Tate verloor hij zijn gevoel voor humor.” Ze vertelt dat het een idee was geweest van Tate-directeur Nicholas Serota om teksten bij de schilderijen te schrijven. „Kitaj wilde dat niet, maar hij deed het omdat hij Serota een geniale man vond. Het waren die teksten die bekritiseerd werden, niet de schilderijen. Kitaj voelde dat hij werd aangevallen omdat hij in die bijschriften een punt had gemaakt van zijn Joodse identiteit.”

We zitten in een kantoorruimte van The Jewish Museum in de Londense wijk Camden Town, het museum dat door MJ Long ontworpen is, en dat in 2013 een eerbetoon aan Kitaj bracht met de tentoonstelling Obsessions. De architecte vertelt hoe ze de kunstenaar ontmoette, eind jaren zestig, toen hij een lezing gaf in Cambridge. „Het was een hopeloze, onbegrijpelijke lezing. Maar daarna werden we vrienden. Als echte Amerikanen hielden we allebei van honkbal. Kitaj kwam vaak in onze studio eten. En toen hij een huis kocht in de wijk Chelsea, heb ik daarvoor een nieuw interieur ontworpen.” Als dank maakte Kitaj een portret van het echtpaar, The Architects (1979-1981), dat ook in Amsterdam te zien is. „Het was vreselijk om voor hem te poseren”, grinnikt Long. „Als hij werkte, was hij compleet gefocust. Dat was zo intens, alsof er een geladen machinegeweer op je gericht was.”

Het was Longs echtenoot Sandy die gedurende de Tate War steunbetuigingen verzamelde onder Kitajs kunstenaarsvrienden. Een ingezonden brief aan The Independent werd onder meer ondertekend door Hockney, Kossoff, Auerbach en Peter Blake. Volgens Auerbach was de kunstenaar het slachtoffer geworden van een botsing van culturen. Kitaj hield van de Joodse traditie van becommentariëren en strooide graag met literaire verwijzingen. Als Amerikaan had hij bovendien weinig gevoel voor ‘Brits understatement’. Die uitgebreide bijschriften, die hij net als Kafka ‘scribblings’ noemde, irriteerden de critici. Of, zoals Kitaj zelf zei: „De nette heren en dames uit de moderne kunst houden niet van uitleg.”

Maar het grote publiek vond de tentoonstelling geweldig. De Tate Gallery kreeg talloze brieven met positieve reacties en ook Kitaj zelf kreeg steun uit onverwachte hoek. Zanger Paul McCartney, die hij nog nooit persoonlijk had ontmoet, nam het voor Kitaj op in een brief aan The Times en zei dat „critici vaak kunnen handelen op een manier die aan het criminele grenst”. Componist Brian Eno en schrijver Philip Roth, die een tijdlang Kitajs buurman was geweest, verklaarden hun liefde voor het werk van de Amerikaanse kunstenaar. Roth baseerde zelfs meerdere van zijn romanpersonages op Kitaj, zoals de verbitterde poppenspeler Mickey Sabbath uit de roman Sabbath’s Theater (1995).

Homoseksualiteit

In Tate Britain hangen nu twee schilderijen van Kitaj in de nieuwe vaste opstelling, te midden van topwerken van Bacon, Freud en Hockney. Blijkbaar wordt de kunstenaar die twintig jaar geleden zo genadeloos werd afgebrand, door het museum toch nog steeds gezien als een volwaardig lid van de School of London. „Vooral voor Hockney is Kitaj van grote invloed geweest”, zegt Elena Crippa, conservator moderne Britse kunst van Tate. Ze staat voor een vroeg werk van Hockney, Study for Doll Boy uit 1960, waarop een roze pop staat en de tekst ‘unorthodox’. „Het gebruik van woorden in de verflaag zien we ook bij Kitaj. Die pop is een duidelijke verwijzing naar Hockneys homoseksualiteit. Hockney en Kitaj spraken daar veel over, over ‘anders zijn’. Het was Kitaj die Hockney stimuleerde om zijn geaardheid als onderwerp van zijn kunst te gebruiken.”

Een zaal verder hangt Kitajs doek The Man of the Woods and the Cat of the Mountains uit 1973, een surrealistisch beeld van een echtpaar, waarbij de man gevangen zit in het lichaam van een kat. Het is een schilderij dat vol zit met referenties naar kunst en literatuur, legt Crippa uit. „Dat lichtpeertje aan het plafond is een citaat uit Picasso’s Guernica, het hoofd van de vrouw is een portret van schrijfster George Sand. Kitaj was een geweldige verhalenverteller. Ik denk dat dit schilderij ook gaat over Sandra Fisher, die hij net had ontmoet toen hij het maakte. Samen gaan ze een nieuwe toekomst tegemoet.”

Kitaj is ontzettend belangrijk geweest voor de schilders van de School of London, zegt ook Frankie Rossi, directeur prenten bij Marlborough Fine Art, de galerie die Kitajs nalatenschap beheert. „Hij was net iets ouder dan de andere studenten op de academie en voorzag hen graag van advies. Tegen Hockney zei hij: schilder datgene waarin je geïnteresseerd bent. En toen begon Hockney zijn homoseksualiteit te schilderen.”

Hij was een kunstenaars-kunstenaar, zegt Rossi, terwijl ze een aantal kleine portretten uit het depot haalt die na Kitajs dood in zijn huis in Los Angeles werden aangetroffen. „Studenten vinden hem fantastisch. Er komen hier vaak jonge schilders naar zijn werken kijken. Maar in de kunstwereld was hij ondergewaardeerd. De Engelse pers kan echt vreselijk zijn. Kranten helpen hier liever de underdog dan de ster. Als je te veel kapsones krijgt, halen ze je van je voetstuk.”

Kitaj heeft zich na de Tate War te arrogant opgesteld, denkt ze. „Hij reageerde te overdreven, vond men. Dat heeft veel nawerking gehad. Ik bedoel: Andrew Graham-Dixon is nog steeds een invloedrijk criticus. Kitaj noemde hem in interviews ‘anale Andy’ en schilderde hem af als een onooglijk kinloos monster. Dat doet je carrière geen goed.”

Maar inmiddels is de belangstelling voor Kitajs werk groeiende, zegt Rossi. „In 2013 hield het British Museum een grote expositie van zijn prenten en verscheen de catalogue raisonné van zijn grafische werk. Er was dat jaar een overzicht van zijn werk in The Jewish Museum en het Pallant House, dat ook te zien was in Hamburg en Berlijn. Sindsdien is er meer vraag naar Kitajs oeuvre. Op veilingen zie je zijn prijzen langzaam omhoog gaan. Na de dood van een kunstenaar valt de handel altijd even stil. Maar nu begint de markt echt te reageren. Kitaj is op dit moment onze meest gereproduceerde kunstenaar. We krijgen bijvoorbeeld veel aanvragen voor boekcovers.”

Abigail Morris, directeur van The Jewish Museum in Londen, beaamt dat er een kentering gaande is in de waardering voor Kitaj. „Toen wij in 2013 de tentoonstelling Obsessions organiseerden, zei men: ‘Zou je dat wel doen? Zijn werk is zo impopulair.’ Maar de reacties in de pers waren super. De meeste recensies waren opvallend lang, alsof zijn werk opnieuw geëvalueerd moest worden. Zelfs de critici die hem in 1994 zo hadden afgebrand, waren nu milder gestemd. Ik denk dat ze zich toch een beetje schuldig voelden.”

De tentoonstelling Obsessions was echt een rehabilitatie, zegt ook MJ Long. „Zijn oude vrienden, onder wie Hockney, droegen bij aan de transportkosten. Ik ben ook in Hamburg gaan kijken. De waardering van het publiek was groot. Ik was zo blij om te zien dat mensen zijn werk echt in zich opnamen.”

In The Independent, de krant die Kitaj in 1994 het hardst had aangepakt, schreef Richard Cork: „Deze tentoonstellingen bieden een broodnodige kans om hem opnieuw te bekijken, en te beseffen wat voor een intense kunstenaar we verloren hebben.”