Tribaal oerdansen op de groove van My Baby

Het Nederlandse groovetrio My Baby heeft een tweede album uitgebracht. Hun muziek, geworteld in de swampmuziek uit New Orleans, bedwelmt en verleidt. „Het publiek laat zich helemaal gaan.”

Vlnr: Joost van Dijck, Cato van Dijck en Daniel Johnston van My Baby Foto Andreas Terlaak

Broer en zus Joost en Cato van Dijck van de band My Baby zitten samen met derde man Daniel Johnston in een café in Amsterdam. Gisteravond gaven ze het laatste optreden als begeleidingsband van zanger Hennie Vrienten, vanochtend vroeg speelden ze een paar liedjes op de radio. Hun tweede album, Shamanaid, is inmiddels verschenen en ze beginnen aan een clubtour door Nederland. Met album en tournee zullen ze Nederland in trance spelen.

Want dat is de missie: muziek maken die extase opwekt. My Baby komt voort uit The Souldiers, waar ook zus Sofie van Dijck in zong. The Souldiers speelden soul, maar My Baby – met zang en gitaar van Cato, drum van Joost en gitaar en keyboard van Daniel – ontwikkelde zich tot een opwindend groove-trio, met een stevige wortel in de swampmuziek uit New Orleans.

Hun naam is in Nederland niet bij iedereen bekend, maar bij collega’s is My Baby populair. Zanger Henny Vrienten vroeg de drie om hem live te begeleiden; de Amerikaanse blues-solist Seasick Steve vroeg ze als voorprogramma voor optredens in april in het Verenigd Koninkrijk.

De afgelopen jaren speelde de band regelmatig in het buitenland, onder andere in Nieuw-Zeeland, geboorteland van Daniel. De mate van trance en vergetelheid die het publiek daar bereikte, was zelfs voor de muzikanten nieuw. Joost: „We stonden meestal voor een zaal met beschaafd publiek, en verwachtten niet veel respons. Maar bij het derde nummer was het raak, de mensen begonnen te springen en de beest uit te hangen. Niet agressief hoor, ze lieten zich gewoon he-le-maal gaan.”

Daniel: „En dan doen ze een dans die ik bij andere muziek nooit zie, maar die overal ter wereld bij onze optredens wordt uitgevoerd.”

Cato: „Een soort oerdans.”

Joost: „Een tribale hippie-oerdans.”

My Baby heeft zich op de tweede cd Shamanaid nog meer dan op debuut-cd Loves Voodoo! (2013) op de groove geconcentreerd. De hechte cadans van bluesy gitaardroedels en lichte drumtoetsen bedwelmt en verleidt, terwijl Cato’s stem feeëriek tussen de noten dwarrelt. De instrumenten kloppen en draaien, tikken en schokken, tot een palet aan stuwende krachten ontstaat.

Bijvoorbeeld in het angstaanjagende Uprising, het zwoele 6x2 en het melancholische Meet Me At The Wishing Well.

Die nieuwe stijl ontstond tijdens de optredens, zegt Joost. „Live pasten we de nummers aan de situatie aan. Op een rockfestival speelden we ze in rockversie, op jazzfestivals funky, en op een dancefestival klonken diezelfde liedjes meer als trance. We speelden vaak zo’n drie uur, we waren onze eigen dj. Zo leerden we goed de cadans vast te houden.”

Voodoo

Bij optredens streven de muzikanten naar iets wat ze ‘voodoo’ noemen. Cato: „In Nederland wordt die term geassocieerd met voodoopoppetjes, maar wij zien ‘voodoo’ als een manier om mensen te betoveren. Zo werd het ook ooit gebruikt in New Orleans, bij de voodooceremonies.” Joost: „Het betekent voor mij dat je iets wilt overbrengen via een omweg. In ons geval via de omweg van muziek. Ik noem voodoo de ‘magische middenweg’. Maar je moet het niet te letterlijk nemen, dan slaat het nergens op.”

Cato: „Het gaat om iets spiritueels, wat op het publiek inwerkt.”

Daniel: „En op onszelf, ik kom bij optredens ook in hoger sferen.”

Joost: „Wij hebben geen drugs nodig. Onze muziek is al geestverruimend.”

Cato legt een arm om zijn schouder: „Maar jij wel hoor, jij hebt drugs nodig. Want jij bent rock-’n-roll.”

Sinds afgelopen zomer werkte de groep aan Shamanaid. Daniel: „Het begon met praten.” Joost kijkt op: „Praten? Dat herinner ik me niet.” Cato: „Daniel en ik praatten over nieuwe mogelijkheden. We wilden meer versmelting, meer concentratie op het ritme.”

Daniel: „Maar daarna gingen we jammen.”

Joost: „Want geen van ons is een echte singer-songwriter.”

Daniel: „Of überhaupt een songwriter.”

Cato: „We doen ook niet ons best om heel mooie composities te schrijven. Veel van onze nummers bestaan uit één akkoord”, ze somt op: „Wishing Well, Marching, Seeing Red.

Daniel schrijft de teksten voor de liedjes, Cato zingt ze. „Live besef je wat voor boodschap je wilt overbrengen, zeker in Engelstalige landen”, zegt ze. „Daar merkte ik welke teksten fijner zijn om te zingen. Ik hou niet zo van de liefdesliedjes, ik heb het liever over algemene onderwerpen.”

Daniel: „De eerste plaat ging over de crisis, we waren ontevreden en dat klonk door in de muziek.”

Nu is de boosheid eruit. Daniel: „We zijn intern op zoek gegaan naar iets anders. Het werd meer een spirituele queeste. Over de connectie met ons publiek, bijvoorbeeld.”

Dat publiek blijkt gevoelig voor die connectie, zo blijkt. Niet alleen in Nieuw-Zeeland, ook in Bergen (N-H). Cato: „Bij ons optreden daar zagen we de zaal langzaam gek worden.” Joost: „Mensen zeggen soms dat ze bang zijn dat ze de controle bij ons verliezen.” „Maar in Bergen waren ze daar juist trots op”, zegt Cato. „Achteraf zeiden ze: ‘Ik heb me in jaren niet zo gevoeld’.”

    • Hester Carvalho