Pubers hebben het ook moeilijk in scifiland

Je kunt pas van een ander houden als je van jezelf houdt. Geen tegelspreuk van de schooltherapeut, maar de les die heldin Tris (Shailene Woodley) leert in Insurgent, deel twee van de Divergent-serie. Daarin waant Tris zich alleen op de wereld. Is alles haar schuld. Begrijpt niemand haar.

Het is zo’n fase waar Katniss in The Hunger Games 3 doorheen moest, en Harry Potter in The Halfblood Prince. Raison d’être van dit soort tienerseries is het opblazen van adolescente angst en groeipijnen tot heroïsche dimensies. Losmaken van je ouders, schuldgevoel daarover. Groepsdruk en identiteit. De school die je in een hokje perst. Het komt allemaal metaforisch aan bod in Divergent, de sf-serie waarmee filmbedrijf Lionsgate/Summit na Twilight en The Hunger Games zijn greep op dit marktsegment bestendigt.

De serie speelt zich af in een postapocalyptische ruïne van Chicago waar men uiterst geavanceerde simulatietechnologie koppelt aan volstrekte onverschilligheid over half ingestorte wolkenkrabbers. De inwoners hebben het druk met rondhangen in vijf facties met eigen kledinglijn. Ooit is bedacht dat je vrede krijgt door een schoolplein na te bootsen.

In deel twee is Tris, als ‘Divergent’, te speciaal om in één factie te passen, met haar ware liefde Four is ze ondergedoken voor de kille schooljuf Jeanine (Kate Winslet). Dit is tevens een wereld zonder achternamen. Hun organische leven bij de boeren is van korte duur, want Jeanine heeft Tris nodig om via vijf dodelijke simulaties een mysterieuze doos van de voorouders te openen. De jacht is weer open, dus hollen, draven en vechten maar. En revolutie dreigt.

Dromen en simulaties zijn het sterkste punt van dit tussendeel, met gewichtloze acrobatiek op uiteenspattende gebouwen. Sinds The Matrix vieren jeugdhelden hun triomfen niet in ‘the desert of the real’, maar in toverduel, droom, realityshow en videogame. Geen wonder dat het wolkenkrabberonderhoud er in die toekomst nogal bij inschiet.