‘Mijn vertrek valt me zwaar, heel zwaar’

Morgen neemt Mariss Jansons (72) afscheid als chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest. Hij was zowel bij orkest als publiek zeer geliefd. Hoe kijkt hij zelf terug? „Het orkest is in het afgelopen jaar nog weer beter geworden.”

Mariss Jansons deze week tijdens de repetities met het Concertgebouworkest voor zijn afscheidsconcert vrijdagavond Foto David van Dam

Het is een repetitie als vele andere. „Good morning”, zegt Mariss Jansons maandag tegen de musici van het Concertgebouworkest. „Dit is het laatste programma van het seizoen. Laten we beginnen!” Musici slaan hun partijen open, Jansons heft zijn stokje.

Het vertrek van Mariss Jansons na een elf jaar lang succesvol chef-schap voelt onwennig – meer als een fade out in majeur dan als een breuk met een schurend uitroepteken. Het afscheid van de vorige twee chefs, Bernard Haitink en Riccardo Chailly, verliep met dramatisch neergeworpen baton en ruzie over al dan niet uitgeholde verhoudingen. Maar Jansons leidt het Concertgebouworkest volgend seizoen ook gewoon weer, dan als ‘Conductor Emeritus’, in een reeks voorstellingen van Tsjaikovski’s Pique Dame bij De Nationale Opera.

„Er is eigenlijk helemaal geen goede reden om nu al afscheid te nemen”, zegt Jansons in zijn dirigentenkamer in de kelder van het Concertgebouw. Hij glimlacht er weemoedig bij. „Mijn hartconditie speelde vorig jaar, tijdens de wereldtournee van het toen jubilerende orkest, zwaarder op dan ooit. Maar na twee medische ingrepen voel ik me als herboren. Het is sterk de vraag of ik, als ik nu voor de keuze had gestaan, deze beslissing weer zou hebben kunnen nemen. Mijn vertrek uit Amsterdam valt me zwaar – heel zwaar.”

Jansons, ook chef-dirigent van het orkest van de Bayerische Rundfunk in München, haalt ter illustratie zijn lievelingsparabel aan: hoe kun je van een vader verwachten dat hij een van zijn twee zoons verstoot? „Het punt was: in München kón ik niet weg. Wij hebben ons daar intensief ingezet voor een goede nieuwe concertzaal, en ik was de leider van die strijd. Ik heb eindeloos gelobbyd, gepraat met politici. We leefden jarenlang tussen hoop en vrees. Ik vond en vind het schandalig.”

Begin deze maand kwam die duidelijkheid er opeens toch. De nieuwe zaal in München komt er definitief niet, ondanks de inzet van Jansons en felle brieven van de hele Duitse muziekelite aan Horst Seehofer, minister-president van de deelstaat Beieren, en Dieter Reiter, burgemeester van München. Jansons is furieus, benadrukt hij. En hij schaamt zich diep. „Ik ben een verliezer. En verliezers vertrekken doorgaans. Anderzijds ben ik er de figuur niet naar om treurende vrienden achter te laten. Je wilt solidair zijn. Snapt u? Dus ik weet het gewoon niet.”

Deze week is Jansons nog met hart en ziel in Amsterdam, voor een atypisch programma in de avontuurlijke AAA-serie met werken van Copland, Mahler en Bartók – vanavond te beluisteren en morgen hernomen in aanwezigheid van koning Willem-Alexander en koningin Máxima.

„Het is geen ideaal afscheidsprogramma”, vindt Jansons. „Komen en gaan hoor je toch met iets feestelijkers te doen. Maar ik had me tot voor kort helemaal niet gerealiseerd dat het nu al helemaal voorbij zou zijn. Meestal zijn er in mei ook nog wel concerten. Enfin, een Mahler-programma met Thomas Hampson is natuurlijk wel heel mooi.”

De repertoirelijst die Jansons in zijn elf jaren als chef opbouwde is lang – maar betrekkelijk voorspelbaar. Ook daarover wil hij eerlijk zijn. Jansons: „Het probleem met orkesten is dat ze veel op reis gaan. Dat geldt voor het Concertgebouworkest zeker. Om hun reputatie internationaal zeker te stellen, om een visitekaartje te zijn bij handelsmissies, voor het geld natuurlijk ook. De artistieke keerzijde van die tournees is dat ze een orkest enorm beperken in de repertoirekeuze. Zalen kopen zelden een avontuurlijk programma aan, dat verkoopt niet. Dan kun je zeggen: dat is dan zo. Maar een halflege zaal is behalve een financiële aderlating ook voor de musici onacceptabel. Als ik lege stoelen zie, voel ik me somber. Voor de musici geldt dat ook. En dan presteer je weer niet op je best.”

Moeten orkesten minder op tournee?

„Alles waar ‘te’ voor staat is slecht, te veel op tournee zeker ook. Soms dirigeerde ik op reis 24 concerten op een rij. Fysiek is dat geen probleem, maar mentaal! Een dirigent is een spiritueel vertaler van de muziek aan het orkest en het publiek. Wie brengt dat nou 24 keer met hart en ziel op, avond aan avond in dezelfde Symphonie Fantastique of de Zesde van Tsjaikovski? De muziek helpt, goddank, maar in termen van emotionele communicatie zijn zulke marathons absoluut niet goed.”

Welke muziek had u meer willen doen in Amsterdam? Er zitten curieuze hiaten in uw repertoirelijst. Schumann, Schubert, de klassieken…

„Klopt. Zeker Mozart en Haydn had ik meer willen doen. Sjostakovitsj, een Beethoven-cyclus... En opera: mijn sprookjeswereld, mijn passie... In een goede operaproductie komt alles wat de mens vermag – muziek, taal, theater en zang – samen in één volledige fantasie. Symfonische muziek is prachtig, maar veel beperkter in haar zeggingskracht. Na de reeks voorstellingen van Pique Dame zou ik, als ik vrij mocht dromen, graag nog eens Wagners Lohengrin of Tannhäuser doen. Ik houd erg van Wagner. Maar de Ring? Nee. Die is me te diep en vereist een voorbereiding waaraan ik vermoedelijk niet meer toekom. Voor Bach geldt hetzelfde. Diens Matthäus-Passion is zo’n heiligdom; daar waag ik me alleen aan als ik álle facetten denk te hebben doorgrond, en daarvoor ontbreekt me de tijd. Technisch is het geen probleem, natuurlijk. Maar dat vind ik geen integere werkwijze.”

Ik las dat uw vrouw Irina erop toeziet dat u zich beperkt tot 28 werkweken per seizoen. Klopt dat?

„Met het afscheid van Amsterdam hoop ik dat het zelfs nog minder wordt dan dat. Wat dan weer leidt tot meer uitnodigingen voor gastdirecties, maar daar ga ik niet op in. Als ik uit was op meer werk, was ik wel in Amsterdam gebleven.”

U bent workaholic. Geniet u überhaupt van de gewonnen vrijheid?

„Ja en nee. Ik ben 72, een leeftijd waarop je het leven en de gemaakte keuzes begint te analyseren. Ik was altijd aan het werk. Studeren, repeteren, dirigeren. Ononderbroken. Natuurlijk verlang je dan soms vurig naar zorgeloosheid. Vrijheid kan hemels zijn. Maar het lukt me meestal maar twee dagen er rustig onder te blijven. Op vakantie soms vier. Daarna ga ik weer aan het werk.

Dus uw nieuwe werkdieet....

„Hóóp ik vol te houden. Maar meestal verwatert zo’n voornemen na een half jaar. De drang tot dirigeren zit in me verankerd – het is een mix van wens en gewoonte.”

Wat doet u graag als u niet werkt?

„Slapen, lezen, theatervoorstellingen en concerten bezoeken en films kijken. Ik ben dol op films – vooral Italiaans neorealisme en de oude Franse cinema. Ik heb thuis in Sint-Petersburg een enorme filmcollectie, ook uit de tijd dat invoer daarvan nog twijfelachtig was. Dan nam de douane mijn VHS-tapes uit het Westen in beslag om te checken of het geen anti-Sovjet- of seksfilms waren en moest ik wachten tot dat was vastgesteld. Eén keer ging ik kijken waar ze bleven. Zaten die douaniers lekker zelf mijn films te kijken, haha. Wat ik ook graag doe is met vrienden praten. Alleen zijn is niks voor mij.”

Uw contract in München loopt tot 2018. Berlijn, en verscheidene andere toporkesten, zoeken dan ook een nieuwe chef. Ambieert u nog een ander chef-schap?

„Ik weet één ding zeker, en dat is dat het niet zinnig en zelfs oneerlijk is nu al dingen definitief uit te sluiten of te bevestigen. Toen ik ‘ja’ zei tegen München, had ik nooit gedacht dat Amsterdam erbij zou komen. Maar Berlijn… dat is een moeilijk orkest, hoor. En ik heb een overdreven verantwoordelijkheidsbesef, dus ik ga grote verplichtingen niet licht aan. Het kan ook zijn dat ik ervoor kies alleen nog gastdirecties te doen bij orkesten waar ik me thuis voel. Het orkest is cruciaal, dan de zaal, dan mijn gevoel. Dat ik écht lekker kan werken.

„Het grote gevaar is dat je daar uit hartstocht te lang mee doorgaat. Het vereist veel intelligentie, inzicht en moed om op het juiste tijdstip te zeggen: het was goed zo. De dirigent Kurt Sanderling, die ik zeer bewonder, had tien jaar langer kunnen doorgaan met dirigeren, maar hij zei: Mariss, ik wil dat de mensen me herinneren in mijn bloei. Misschien stopte hij daardoor iets te vroeg, maar dat is beter dan te laat. Als je een goede vriend had die je zou kunnen zeggen dat het tijd is, ja, dat zou mooi zijn. Maar als ik een vriend had die me zo goed kende en die me zo dierbaar was, zou ik hem dan wel mogen vragen mij zulk afschuwelijk nieuws te brengen? Mijn vrouw, ja, die is eerlijk tegen me. Maar is zij objectief? Mijn dochters zijn pianiste en regisseuse. Ik ben soms kritisch over wat ze doen. Maar objectief? Nooit.”

Misschien kan een goed en dierbaar orkest de rol van kritische vriend spelen.

„Misschien. De communicatie tussen een dirigent en een orkest speelt zich af op een heel verfijnd niveau; je voelt dingen, je vangt signalen op – puur door chemie, door de temperatuur van de musici om je heen. Met een goede chemie kun je de Mount Everest opklimmen. Een slechte energie kan je breken. Voor zover ik weet heb ik nog geen afwijzende trillingen opgevangen. Maar ik ben er zó ontzettend bang voor, ik heb duizend keer bevestiging nodig dat alles nog klopt. Want als je voelt dat het mis is, dan is het te laat. Ik ken chefs die door hun orkest worden verafschuwd, maar die zich daar niks van aantrekken. Ik vind dat onbegrijpelijk. Maar ik kan er ook jaloers op zijn. Zelf heb ik altijd bewust gewaakt voor routine. Een chef moet er vaak zijn, zodat het orkest hem aanvoelt. Maar niet té vaak, want routine holt een relatie uit. En elk concert onder de chef moet een evenement zijn.”

Bent u blij met Daniele Gatti als opvolger?

„Ja. Ik ken hem niet goed, maar het orkest heeft hem gekozen en hij is een goed vakman. Ik hoop dat het niet arrogant klinkt, maar ik geloof dat het orkest in het afgelopen jaar nog weer beter is geworden. Er zijn in zes jaar vijftig heel goede jonge musici bijgekomen, waardoor het orkest sneller dingen oppikt, virtuozer is geworden en stabieler op topniveau presteert. Daar ben ik zeer trots op.”

Reden om zelf ook veel terug te komen?

„Nee. Er zijn wat plannen, maar na Pique Dame moet ik ook afstand nemen. Dat is goed voor de relatie tussen het orkest en Gatti maar zeker ook voor mijn eigen relatie met het orkest. Je mist elkaar, maar daardoor waardeer je elkaar ook meer als je elkaar terugziet.”

    • Mischa Spel