Met een paar lampionnen red je ’t niet meer

De traditionele dorpschinees verdwijnt, om plaats te maken voor all-you-can-eat sushi- en wokrestaurants. De karpers in de hal, het rode tapijt, het dikke menu: de liefde van de Nederlander lijkt voorbij, merkt ook Hemmy Wong van Golden River in Laren.

De Indonesische Fellicia Kosasih kwam vier jaar geleden als stagiair. Nu is ze in vaste dienst bij Golden River.

Wat is de toekomst van de traditionele Chinees in Nederland?

Hemmy Wong, 60

jaar, ontsteekt geroutineerd een vuurwerksterretje in een gelakte Pekingeend. Die heeft hij speciaal voor de verslaggever laten aanrukken. Het restaurant is verlaten, het is nog voor openingstijd.

Het sterretje sist, Wong peinst.

Kijk, hij heeft zijn dochter een half jaar op stage naar zo’n all-you-can-eat sushiketen gestuurd. Van Chinezen, iedereen weet toch dat 99 procent van alle Japanse restaurants in Nederland van Chinezen is. Hij wilde dat ze zag hoe dat daar aan toegaat. „Wij bieden veel meer service dan all you can eat. Maar ja. Zij hebben wèl iedere avond tweehonderd, vijfhonderd man in hun zaak.”

Hemmy Wong uit Hongkong is eigenaar van Golden River, een traditioneel Chinees restaurant in Laren met, om en nabij, 168 zitplaatsen. „168 betekent: altijd voorspoed.”

Zijn witgeschilderde Golden River met pagode-elementen is de archetypische Hollandse Chinees. Denk: leeuwen voor de ingang, waterpartijtje met karpers in de hal, goudgeschilderd houtsnijwerk. Rood tapijt, dikke menukaart met 200 gerechten, ingelijste foto’s aan de wand van Wong met diverse hoogwaardigheidsbekleders, waaronder de koningin-moeder van Bhutan.

Dit soort restaurants verdwijnen langzaam, maar gestaag uit Nederland. Het aantal Aziatische restaurants is dankzij de sushi- en woktrend wel gegroeid tot 2.800, maar het aandeel Chinees-Indisch, bijna driekwart, neemt af. In 2014 waren er 12 procent minder restaurants dan in 2003, onder de tweeduizend. Wong: „Vooral de dorpschinees verdwijnt snel. Jonge mensen zeggen: niet wéér naar de Chinees, we gaan naar Sumo.”

Wong is, nog steeds, trots op zijn bedrijf. Hij leidt rond. Kijk, rechts het afhaalgedeelte met zachte stoelen en grote zakken kroepoek achter de bar, links het restaurant waar je Kantonese zeeduivel en lamskoteletjes in vijfhemelse kruiden kunt bestellen, maar ook Indische rijsttafel „die nog heel goed verkoopt”.

Wong heeft het interieur extra versierd met tientallen badeendjes, omdat hij het zo leuk vond dat de Nederlandse reuzenbadeend ook Hongkong aandeed. Hij gebaart in het rond: „Allemaal leuke dingen.”

Vader Hing Tong en zes kinderen

Wong prikt een boterzachte dumpling op het bord van de verslaggever. Vroeger, zegt hij, „hoefde je maar een lampion op te hangen en de mensen kwamen.” Kijk naar zijn vader.

In 1960 verliet de arme Hing Tong Wong zijn dorp en stapte op de boot naar Marseille, zijn hoogzwangere vrouw met schulden en vijf kinderen achterlatend. Iemand op de boot had een kennis in Amsterdam en daarom belandde Hing Tong daar. Hij werkte voor anderhalve kok en verdiende al gauw genoeg om zijn schulden af te lossen. Eén voor één liet Hing Tong vrouw en kinderen overkomen, zoon Hemmy in 1968 als laatste.

Tegen die tijd had Hing Tong al wel acht restaurants in Limburg, en al tientallen koks en familieleden aan een verblijfsvergunning geholpen. Dat was niet genoeg. „In Hongkong werd er op mijn vader neergekeken omdat hij arm was. Hij wilde zich bewijzen.”

Hing Tong verkocht de boel en opende ‘747’, de prestigieuze, vijf verdiepingen tellende Chinees in Amsterdam. Dat heet nu Oriental City. „Bij de opening waren we de kleerhangers vergeten. Die moest ik gauw bij Peek en Cloppenburg halen.” Hemmy doet voor hoe hij met uitgestrekte armen vol kleerhangers door de stad snelde.

Hemmy nam met zijn zus de zaak in Laren over. Zijn zus kreeg reuma, hij ging verder. Of hij ooit iets anders had willen doen? Stilte. „Dat weet ik niet. Nee, daar heb ik nooit over nagedacht.”

Zijn kinderen denken daar wel over na. De lange uren, het harde werken. Zijn oudste zoon wil de horeca niet in, zijn middelste zoon, nou ja, die is autistisch, dat gaat niet, misschien zijn jongste dochter. Die schrijft nu een scriptie over Chinese restaurants.

Is de kaart misschien te dik?

Wong, secretaris van de restaurantvereniging ‘Fine Eastern Restaurants’, houdt nauwlettend in de gaten wat anderen doen. Neem dat nieuwe lid in De Meern, tweede generatie, hier geboren. Zijn restaurant ziet eruit alsof het een Franse keuken voert, heel modern. „Leuk dat die jonge generatie het zo aanpakt.”

Met Golden River gaat het nog, benadrukt Wong. De gasten komen nog, het afhaalgedeelte loopt en hij doet veel catering. Voor de Hongkongse vertegenwoordiging, voor filmavondjes in het Eye, voor wijnproeverijen. Hij leverde vorig jaar nog 25 Pekingeenden, zijn specialiteit, aan het Amstel Hotel.

Maar wat is het, waardoor de gasten tóch vaker wegblijven? Wong rolt behendig zes Chinese pannenkoekjes, inmiddels gang vier van „de lichte lunch” die de verslaggever beslist niet mag weigeren. „Op de een of andere manier vinden de Larense en Blaricumse mensen het hier niet meer gezellig. Ik zou wel een advertentie willen plaatsen, ‘Willen jullie mij nog wel hebben?”

Hij mijmert hardop. Is de kaart soms te dik? Om alle gerechten te kunnen maken, heeft hij wel vijf koks nodig. En mensen mopperen dat de kaart nooit wisselt, ook al hebben ze de helft nog nooit gegeten.

Moet hij zich richten op het luxere segment? „Nu zitten mensen hier kreeft te eten, lekker wijntje erbij, terwijl naast hen de timmerman met z’n kinderen babi pangang zit te eten. Het is te breed.”

Is het het interieur? Hij krijgt daar toch complimenten voor? Maar misschien is het niet modern genoeg.

Of zijn de koks, 29 jaar in dienst, te ouderwets?

Moet hij de tweede zaal ombouwen tot sushigedeelte? Of het hele pand platgooien, de grond verkopen en zijn dochter de kans geven iets helemaal nieuws te doen? Hij weet het nog niet. Hij hoopt dat zij iets bedenkt.

Maar als ze dat niet doet, zal hij hooguit een béétje teleurgesteld zijn. „Het leven is kort. Pluk de dag. Ik ben blij dat ik mijn kinderen een betere toekomst heb kunnen geven.”