Maak coalitie vóór verkiezingen

Om toch een keuze te hebben, wijken kiezers uit naar de flanken, zodat de middenpartijen kleiner worden. Coalitievorming voorafgaand aan de verkiezingen bevordert de duidelijkheid, vindt Matthijs Rooduijn.

Illustratie Hajo Illustratie Hajo

Na deze verkiezingsuitslag ging alle aandacht uit naar de puzzel voor het kabinet om een nieuwe meerderheid te vinden in de Eerste Kamer, nu de huidige ondersteunende coalitie niet voldoende is. Maar er is ook een ander verhaal dat verder reikt dan de specifieke zetelverdelingen in Provinciale Staten en Senaat. De uitslag toont namelijk aan hoe fundamenteel ons Nederlandse politieke partijenlandschap is veranderd. Waar in het verleden de Nederlandse politiek gedomineerd werd door drie grote middenpartijen (CDA, PvdA en VVD), laat de verkiezingsuitslag zien dat er nu definitief sprake is van een sterk versnipperde politieke ruimte met maar liefst zes middelgrote partijen (CDA, PvdA, VVD, D66, SP en PVV) die, afhankelijk van de omstandigheden, op korte termijn allemaal plotselinge electorale oplevingen kunnen beleven en net zo goed opeens veel steun kunnen verliezen.

Deze nieuwe situatie is ontstaan als gevolg van twee maatschappelijke ontwikkelingen. De eerste is de ontzuiling en de daarmee samenhangende electorale volatiliteit. Waar in het verleden een katholiek iemand vrijwel automatisch op de KVP stemde en een sociaal-democraat bijna altijd het stembiljet rood kleurde bij de PvdA, spelen dergelijke vastgevroren partij-identiteiten tegenwoordig een aanzienlijk minder grote rol. De meeste mensen stemmen niet meer automatisch op een vaste partij, maar bepalen per verkiezing welke partij ze steunen. Dit betekent overigens niet dat kiezers als los stuifzand alle kanten op zijn gaan waaien. Ze stemmen over het algemeen alleen op partijen die ideologisch gezien dicht bij ze staan.

Een belangrijk gevolg is dat politieke partijen veel minder sterk dan vroeger kunnen rekenen op een trouwe electorale achterban. Een links-liberale kiezer zal de ene keer op de PvdA stemmen en de andere keer voor GroenLinks gaan. En af en toe zal hij of zij zich misschien laten verleiden door de verkiezingsbeloften van D66. Iedere keer opnieuw zullen partijen kiezers er daarom van moeten overtuigen op hen te stemmen.

De tweede maatschappelijke ontwikkeling die heeft geleid tot ons nieuwe partijpolitieke landschap is dat er door de genoemde electorale ontwikkelingen steeds meer ruimte is ontstaan voor nieuwe partijen. Na de opkomst van D66 in de jaren zestig hebben vooral de politieke flanken hiervan geprofiteerd. Links- en rechts-radicale partijen hebben een steeds grotere schare kiezers aan zich weten te binden door hun ideologie te matigen en door de (populistische) boodschap uit dragen dat de gevestigde politieke elite geen flauw idee meer heeft van wat gewone burgers belangrijk vinden. Flankpartijen hebben de middenpartijen hierdoor steeds meer weggedrukt. Hoewel Wilders gisteren stemmen heeft verloren, is de PVV ongeveer even groot als de SP en groter dan de PvdA geworden, en mag dan ook definitief tot ‘de middelgrote zes’ gerekend worden.

Dit nieuwe partijpolitieke landschap brengt twee grote voordelen met zich mee. Ten eerste is ons stelsel democratischer geworden. Door de ontzuiling zijn kiezers eindelijk écht gaan kiezen tijdens verkiezingen. Daar komt bij dat kiezers door de opkomst van nieuwe partijen ook nog eens meer keuze hebben gekregen. Ten tweede houden de flankpartijen middenpartijen bij de les. Wanneer middenpartijen ideologisch niet meer van elkaar zijn te onderscheiden kunnen partijen als PVV en SP kiezers een alternatief bieden.

Maar er zitten ook grote nadelen aan ons nieuwe landschap met vele middelgrote en instabiele partijen. Ten eerste zijn er meer partijen nodig om een regeringscoalitie te kunnen vormen. En ten tweede kan de politieke realiteit razendsnel veranderen. Vlak na de verkiezingen in 2012 dachten VVD en PvdA nog zonder steun van andere partijen grote hervormingen door te kunnen voeren. Niet veel later bleek dat ze de rol van de Eerste Kamer ernstig hadden onderschat en de steun van drie andere partijen (D66, ChristenUnie en SGP) nodig hadden. En nu is ook de steun van deze drie partijen niet meer voldoende. Het vormen van een stabiel en daadkrachtig bestuur wordt op deze manier erg lastig.

Dit is goed nieuws voor flankpartijen. Wanneer middenpartijen steeds grotere coalities moeten smeden en steeds meer water bij de wijn moeten doen bij het sluiten van compromissen, kan een vruchtbare voedingsbodem ontstaan voor de populistische boodschap dat het midden zijn beloften verkwanselt. Hier lijkt de SP met haar slogan ‘Reken af’ gisteren van geprofiteerd te hebben.

Wat kunnen middenpartijen nu doen om de schade beperkt te houden? Ten eerste zullen ze moeten leren leven met het nieuwe partijpolitieke landschap en de realiteit onder ogen moeten zien dat er met steeds meer partijen moet worden samengewerkt om meerderheden te kunnen vormen in het parlement. Ten tweede zullen ze hun campagnestrategie moeten aanpassen. De huidige aanpak werkt averechts. Elkaar afsnauwen vóór de verkiezingen om na de verkiezingen weer vrolijk met elkaar verder te gaan alsof er niets is gebeurd, wakkert het politieke cynisme en de steun voor flankpartijen alleen maar verder aan.

Middenpartijen zouden tijdens de verkiezingscampagne meer moeten samenwerken. Dan kunnen partijen die ideologisch dicht bij elkaar staan een coalitie vormen vóór de verkiezingen. Ze laten zo eerlijk zien dat er compromissen moeten worden gesloten, en geven de kiezer bovendien de kans over deze compromissen te oordelen. Middenpartijen houden zo rekening met het nieuwe partijpolitieke landschap én maken het voor flankpartijen lastiger het argument te maken dat ze hun beloften verkwanselen. Misschien een idee voor bij de volgende verkiezingen op de agenda: die voor de Tweede Kamer.