Intensieve landbouw maakte onze weilanden leeg, stil en kaal

Alle weidevogels, waaronder de grutto, kievit, kemphaan, leeuwerik en scholekster, worden in hun bestaan bedreigd. Geef ze hun leefgebied terug, betogen de hoogleraren economie Jeltje van der Meer-Kooistra en Henk Folmer.

Een grutto. Foto: Wieland van Dijk/NRC

De race om steeds meer melk van een hectare te krijgen, drong de natuur steeds verder terug. Namens meer dan honderdduizend Nederlanders overhandigde Fred Wouters, directeur Vogelbescherming Nederland, daarom op 5 februari een petitie aan staatssecretaris Sharon Dijksma van Economische Zaken en de provinciale bestuurders. Hun oproep: streef naar 200.000 hectare bloemrijke weide in 2020, ruim een vijfde van het grasland in Nederland.

De situatie is kritiek. Door verlaging van het grondwaterpeil, intensieve grondbewerking, overbemesting en demping van sloten en greppels zijn de aantallen van nagenoeg alle soorten weidevogels in snel tempo achteruit gegaan. De toestand zal nog verder verslechteren wanneer op 1 april 2015 het melkquotum wordt opgeheven.

De verwachting is dat de melkproductie met 20 procent toeneemt bij gelijkblijvend areaal, zodat de extra productie van verdere intensivering zal moeten komen. Gevolgen beperken zich niet tot het door boeren beheerde land. Verlaging van het grondwaterpeil in het Friese veenweidegebied bedreigt het Nationaal Park De Alde Feanen met verdroging en verslechtering van de waterkwaliteit. Er ontstaat ook schade aan gebouwen en wegen.

De overheid probeerde de afgelopen decennia boeren te verleiden tot weidevogelbeheer, natuur-inclusieve landbouw genaamd. Dit agrarisch natuurbeheer had weinig succes. Er werden onvoldoende eisen gesteld. Ook was er sprake van versnippering, niet iedere boer deed mee. Vogels die op het ene perceel werden geboren, werden op het andere weggemaaid.

Ondanks het ineffectieve beleid zijn er boeren die zich keren tegen de schadelijke gevolgen van intensivering en hun bedrijfsvoering afstemmen op de behoeften van de weidevogels. Op dit moment hebben 87 weidevogelboeren zich verenigd in een landelijk netwerk, waarin kennis van weidevogelbeheer wordt uitgewisseld. De belangrijkste kenmerken van succesvol beheer zijn hogere waterstanden, kruidenrijk grasland, verspreiding van droge mest, verlate maaidata, mozaïek maaien en de aanleg van plasdras. De weidevogelboeren laten zien dat het tij kan worden gekeerd. Tegen de landelijke trend in gaat het bij deze boeren goed met de weidevogels. Zo namen op hun terreinen de grutto’s het afgelopen jaar met 10 procent toe. Bij deze boeren zijn ook de koeien gezonder dankzij het kruidenrijke gras.

Ook bij de zuivelindustrie en bij banken zijn initiatieven in ontwikkeling om boeren te stimuleren duurzamer te produceren. Zo gaat zuivelgigant FrieslandCampina boeren, die hun land gebruiken volgens de richtlijnen voor weidevogelbeheer van het Wereld Natuur Fonds, een opslag op de melkprijs betalen en is de Rabobank bereid deze boeren tegen een lagere rente geld te lenen (Trouw, 20 januari 2015).

Er is momenteel nieuw beleid in ontwikkeling. Dit nieuwe beleid, dat is overgeheveld van het rijk naar de provincies, voorziet in de vorming van collectieven die verantwoordelijk zijn voor het agrarisch natuurbeheer in hun gebied. Versnippering wordt tegengegaan door de vorming van kerngebieden waarbij een minimum gesteld wordt aan het aantal deelnemende boeren. Ook worden er strenge eisen gesteld aan de bedrijfsvoering van de deelnemers. Deelname aan de boerencollectieven is echter een kwestie van vrijwilligheid, waardoor het de vraag is of dit beleid succesvol zal zijn.

Om voldoende boeren over te halen mee te doen aan agrarisch natuurbeheer zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. In de eerste plaats moet door de landelijke en de provinciale overheid worden erkend dat het landelijke gebied van even groot economisch en sociaal belang is als het stedelijke erfgoed en dat het daarom even effectief beschermd dient te worden. Daartoe moeten specifieke landschappen en identiteitsbepalende landschapselementen een vergelijkbare beschermingsstatus krijgen als stedelijke monumenten.

Streek- en bestemmingsplannen zijn daartoe het geëigende instrument. Daarnaast zullen de landbouworganisaties, de verwerkende industrie en de banken moeten erkennen dat versterking van landschap, natuur en milieu geen hobby is van een handjevol goedwillende boeren, maar voorziet in een maatschappelijke vraag met belangrijke gevolgen voor het leef- en woonklimaat van de bewoners en voor recreatie en toerisme.

Verder zal de schade die de intensieve landbouw berokkent volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’ doorberekend moeten worden aan de veroorzaker en niet op de maatschappij worden afgewenteld. Ook dienen de initiatieven van de zuivelindustrie en van financiële instellingen in de vorm van opslag op de melkprijs en lagere rente op kredieten opgevoerd te worden tot een niveau waarbij de hogere productiekosten van de natuur-inclusieve landbouw gedekt worden. Aldus ontstaat een gelijk speelveld tussen natuur-inclusieve en natuur-exclusieve landbouw.

Sinds midden vorige eeuw is de Nederlandse landbouw uitgegroeid tot een van de meest efficiënte en kwalitatief meest hoogwaardige producenten ter wereld. De uitdaging is om ook een van de meest duurzame te worden.

Jeltje van der Meer-Kooistra en Henk Folmer zijn hoogleraren economie aan de Universiteit Groningen.

    • Henk Folmer
    • Jeltje van der Meer-Kooistra