Hoe is de opkomst?

Mijn vader was zijn hele leven ambtenaar, waarvan 25 jaar bij de provincie Gelderland. Daar schreef hij rapporten over de loop van de rivier de Berkel die vaak ongelezen met multomap en al verdwenen, hetgeen hem gek genoeg niet afremde om er een volgende keer met extra energie tegenaan te gaan. Bij zijn afscheid kreeg hij een fiets met drie versnellingen. Verkiezingen voor de Provinciale Staten vond hij zo belangrijk dat hij tot ver na zijn pensionering op dat soort dagen even langs de oude werkplek fietste waar in de hal altijd wel een stembureau was.

„Even informeren hoe de opkomst is.”

Vroeger vond ik dat vreemd, maar nu, ik logeerde een paar dagen bij mijn moeder, begreep ik die drang om eropuit te trekken wel, gek als ik werd van dat geritsel van haar de hele dag. Kastje-open-kastje-dicht, slof-slof waar liggen die sleutels nou?, gekraak met plastic tasjes, het ging daar maar door.

„Ik fiets even naar het Provinciehuis”, hoorde ik mezelf zeggen, waarna zij begon te zeggen wat of mijn vader gestemd zou hebben en dat ze zo blij was dat hij al die verschrikkelijke kwezels van nu niet meer had meegemaakt. Zelfs de politici waren er na zijn dood niet op vooruit gegaan.

Het Provinciehuis aan de Markt in Arnhem ademde een zekere sjiek, net als de receptioniste met haar shawl om de hals. Deze weg was mijn vader dus duizenden keren gegaan. Langs de receptie, voorbij het bronzen borstbeeld en het zwaard dat de Poolse bevrijders hadden achtergelaten, naar de liften met in de hand een leren koffer waarin een bruine broodtrommel zat.

In de hal zaten twee bejaarden en een blonde mevrouw achter een bord met snoep te wachten op kiezers die niet kwamen. We voerden een zinloos gesprek.

„Hoe is de opkomst?”

„Weeknie”, loog de man, aan het accent te horen een Arnhemmer.

Even verderop, bij een pilaar: thermoskannen met koffie en zilverkleurige dienbladen met cake. Ze hadden al drie keer gezegd dat ik die vooral moest pakken.

Na de eerste hap: „Klef. Of niet?”

Waarom zei zo’n man dat niet voor je ervan hapte?

Opeens wilde ik wel eens zien in welke kamer mijn vader daar al die jaren had gezeten. De receptioniste belde een voorlichter, een vriendelijke man met een snor. Hij wees door het raam naar een kale vlakte want de aanbouw was ‘duurzaam gesloopt’.

„Daar zat hij. Op zich een prima plek.”

Over die tweede zin dacht ik lang na.