Een catastrofe voor Tunesië

Het kleine Tunesië kan zich niet afsluiten van het geweld dat de regio in zijn greep heeft. Die bittere werkelijkheid werd gisteren pijnlijk duidelijk, door de terreuraanslag op een museum in het centrum van de hoofdstad Tunis.

Het was niet alleen een drama voor de dodelijke slachtoffers (onder wie 17 buitenlandse toeristen), hun nabestaanden en de vele gewonden. Het was ook een catastrofe voor Tunesië, dat na de succesvolle parlementsverkiezingen van oktober als enige land nog een succes kan maken van de zogenoemde Arabische Lente. De terroristen hebben de toch al zwakke Tunesische economie, die erg van toerisme afhankelijk is, in het hart getroffen. Dat maakt de nog jonge democratie extra kwetsbaar.

Ook al vóór de aanslag beseften de meeste Tunesiërs wel dat hun land zich in een hachelijke situatie bevindt. In het oosten valt buurland Libië uiteen in een gewelddadige chaos, wat tot een stroom vluchtelingen naar Tunesië heeft geleid. Die vluchtelingen, voor een deel aanzienlijk rijker dan de gemiddelde Tunesiër, hebben de prijzen van allerlei goederen fors opgestuwd.

In het westen is buurland Algerije betrekkelijk stabiel, maar langs de grens zijn radicale terreurgroepen actief. En dan is Tunesië ook nog eens een van de grootste leveranciers van jihadistische strijders voor Islamitische Staat in Syrië en Irak, van wie er sommigen ook weer terugkeren.

De afgelopen najaar aangetreden regering doet wel haar best om de extremisten aan te pakken, maar aanslagen zoals die van gisteren zijn moeilijk uit te sluiten. Dat geldt in Tunesië meer nog dan in Europa. Nu komt het erop aan dat het land niet wordt meegezogen in het verwoestende geweld dat door de regio raast. Het is ook een Europees belang dat te voorkomen. Na deze aanslag, die óók een aanslag op Europeanen was, is het belangrijker dan ooit Tunesië voluit te steunen in zijn worsteling om overeind te blijven.