Duo legt racisme in fotografie bloot

Fotografen Adam Broomberg en Oliver Chanarin zoeken naar het verhaal achter foto’s. In Foam exposeren ze beladen beelden uit Zuid-Afrika, waar Kodak en Polaroid zich schuldig maakten aan racisme.

Adam Broomberg & Oliver Chanarin, Strip Test 7, 2012 Foto Broomberg & Chanarin / Lisson Gallery, London

Adam Broomberg en Oliver Chanarin werkten al tien jaar samen voordat ze ontdekten dat ze familie van elkaar zijn. Chanarin: „Ik ben in Engeland geboren en Adam in Zuid-Afrika, maar we stammen uit hetzelfde joodse dorp, een sjtetl in Litouwen.” Het is toeval maar ook weer niet. Het werk en leven van Broomberg (44) en Chanarin (43), achttien jaar een kunstenaarsduo, zit altijd met haken aan de geschiedenis vast. Ze maken zelf foto’s maar ze gebruiken andermans foto’s uit archieven om de verbanden tussen fotografie en macht, tussen beeld en conflict te onderzoeken.

Hun werk is vertegenwoordigd in een groot aantal museale en particuliere collecties en is met diverse prijzen bekroond. Tot vorige week waren twee van hun projecten te zien in de grote tentoonstelling Conflict, Time, Photography in Tate Modern in Londen; in Foam in Amsterdam gaat vrijdag To Photograph the Details of a Dark Horse in Low Light open, over het verband tussen fotografie en racisme.

„Onze vroegste projecten gingen al over de machtsverhouding tussen de fotograaf en degene die gefotografeerd wordt”, zegt Chanarin. „Voor Trust bijvoorbeeld fotografeerden we mensen terwijl ze op de operatietafel insliepen.” De dood in het klein, noemen ze het. Ook tijdens het project Ghetto, waarvoor ze mensen in besloten omgevingen portretteerden – vluchtelingenkampen, psychiatrische ziekenhuizen – werden ze zich bewust van de onuitgesproken maar loze belofte die het maken van een foto inhoudt. „De ander blijft iets verwachten, blijft geloven dat het maken van de foto iets teweeg zal brengen.”

Fotograferen en gefotografeerd worden is altijd een transactie, in emotie en in toenemende mate in geld. „Beelden zijn een betaalmiddel, al helemaal in de nieuwsindustrie. Menselijk leed is handelswaar dat kranten en tv inkopen.”

Hoewel ze in de traditionele documentaire fotografie begonnen, is hun werk gegroeid naar het onderzoeken en analyseren van beelden, ook die van anderen. Als ze nu zelf fotograferen, gaat het niet om wat er op de foto te zien is, maar om het verhaal erachter.

Die anderen kunnen zowel beroepsfotografen als amateurs zijn, zoals bij de ruim 14.000 beelden van de Troubles in Noord-Ierland. Die zijn bij elkaar gebracht in het archief Belfast Exposed, dat veel is geraadpleegd: door activisten, advocaten, historici, en de mensen op de foto’s. Op veel foto’s staat een gekleurde stip – om die terug te vinden of om een afdruk te laten maken. Broomberg en Chanarin kijken wat er onder die stippen zit. Dat werd People in Trouble Laughing Pushed to the Ground. De stippen leidden naar taferelen uit het dagelijks leven, maar ook naar angstige gezichten en begrafenissen. Mensen die op de foto stonden hadden zichzelf soms weggekrast om onherkenbaar te worden.

Performance

Gaandeweg kreeg het werk van het duo steeds meer het karakter van een performance. Een eerste echte performance organiseerden ze bij de opening van de tentoonstelling in Tate Modern. Achttien kadetten van de militaire academie speelden afwisselend een uur lang een onafgebroken drum roll in de museumzalen.

Een element van een absurde performance, maar ook van gevaar zat er in hun project The Day Nobody Died. In 2008 reisden ze naar Afghanistan om als embedded kunstenaars met de Britse troepen op te trekken in de provincie Helmand. Er vielen die maand de meeste Britse doden van de hele oorlog. Maar in plaats van een camera namen ze een enorme rol fotopapier mee, van 50 meter lang en ruim 76 centimeter breed, in een lichtdichte doos. Het leger moest die doos overal mee naartoe slepen, en de soldaten, die er niets van begrepen, deden dat vloekend. Zo werden ze hoofdpersoon in de klucht die de kunstenaars hadden voorbereid. Steeds als er iets gebeurde wat normaal gesproken aanleiding was geweest tot een nieuwsfeit of een foto – bijvoorbeeld dat er die dag niemand was gesneuveld – stelden de kunstenaars een zeven meter lange strook gedurende 20 seconden bloot aan het zonlicht. Het resultaat is een onbegrijpelijke kleurige veeg, een anti-nieuwsfoto. „Die foto, of althans die strook belicht fotopapier, krijgt betekenis doordat wij er zelf waren, aan het front, en ons net als de militairen aan het gevaar hebben blootgesteld.”

Het project dat straks in Foam te zien is, To Photograph the Details of a Dark Horse in Low Light, heeft voor Broomberg een sterkere persoonlijke onderstroom omdat het over Zuid-Afrika gaat. „De kleurenfilm van Kodak was ongeschikt om zwarte huid mee te fotograferen. Het bedrijf zag zwarten niet als klanten, blank was de maatstaf.” Dat impliciete racisme is te zien aan de portretten van Shirley’s, die Broomberg en Chanarin verzamelden. De eerste Shirley was een medewerkster van Kodak, later volgden er meer, en hun portretten dienden voor fotolabs als toets voor het correct weergeven van de (blanke) gelaatskleur. Pas in de jaren tachtig kwam Kodak met een film die beter in staat was een zwarte huid weer te geven, in codetaal de ‘details of a dark horse in low light’.

Flits voor zwarte huid

Polaroid maakte het veel bonter. In 1970 ontdekte medewerkster Caroline Hunter dat haar bedrijf indirect het apartheidsregime steunde. Polaroid leverde de ID-2-camera waarmee de portretten werden gemaakt voor de gehate passbooks die zwarte Zuid-Afrikanen bij zich moesten dragen als legitimatie. De camera had een knop voor extra flits voor zwarte huid.

„Hunter en haar vriend richtten de Polaroid Workers Revolutionary Movement op om het bedrijf onder druk te zetten zich uit Zuid-Afrika terug te trekken. Dat lukte nadat een medewerker die ook lid was van het ANC, de druk had opgevoerd.”

De kunstenaars kochten op internet een oude ID-2-camera en gingen ermee naar Zuid-Afrika. „Alles wat we ermee zouden fotograferen, was beladen met geschiedenis en politiek. In plaats van mensen hebben we daarom planten gefotografeerd met die dubbele lens, de ene dichtbij, de andere van verder weg. Dit project is zowel een liefdesverklaring aan het Zuid-Afrikaanse landschap als een commentaar op de politieke rol van de fotografie, zelfs van het filmmateriaal. Technologie is niet neutraal. De totstandkoming van beelden is net zo beladen als de beelden zelf.”