De man die in zijn schilderij stapte

Wat hebben Liu Bolin en Bas Jan Ader gemeen? Ze verdwenen in hun eigen kunstwerk. Martijn Meijer ontdekt een kleine traditie van verdwijnkunstenaars, die verlangen naar het onmogelijke.

De Chinese kunstenaar Liu Bolin ‘verdwijnt’ in het Teatro alla Scala in Milaan. Foto Stefano De Luigi/VII/HH

Jaren geleden hoorde ik voor het eerst het verhaal van Wu Daozi, een legendarische Chinese schilder uit de achtste eeuw die in zijn kunstwerk verdween. Het was namelijk zo, dat de keizer van China verzot was op het werk van de schilder en hem daarom gevangen hield in zijn paleis. Op een dag schilderde Wu een landschap op de muur van zijn cel en nodigde de keizer uit om te komen kijken. De keizer was erg onder de indruk en zei dat het kunstwerk bijna niet van echt te onderscheiden viel.

Wu wees op een grot die hij had getekend aan de voet van een berg en klapte in zijn handen. De ingang van de grot ging open en de schilder stapte de schildering binnen. Hij draaide zich nog eenmaal om en gebaarde dat de ander hem moest volgen. Maar voordat de verbaasde keizer hem achterna kon gaan, was Wu al verdwenen in de grot. En het volgende moment was de hele muurschildering uitgewist.

Ik hou van ontsnappingsartiesten die op speelse wijze aan hun gevangenschap weten te ontkomen. Maar Wu Daozi is een bijzonder geval: omdat hij op het geniale idee kwam om in zijn eigen schilderij te stappen. Zo opent deze verdwijnkunstenaar een deur naar een ruimte waar de wetten van onze wereld niet gelden en het onmogelijke mogelijk blijkt. Of is zijn daad, die misschien wel de eerste kunstzinnige performance was, een metafoor voor het verlangen van de kunstenaar om helemaal op te gaan in zijn werk?

In Portrait of the Artist as a Young Man (1916) schreef James Joyce: ‘The artist, like the God of creation, remains within or behind or beyond or above his handiwork, invisible, refined out of existence, indifferent.’ Volgens Joyce maakt de ware kunstenaar niet langer deel uit van deze wereld zodat hij zich helemaal kan wijden aan zijn eigen schepping, waar hij middenin of boven staat als een god.

Deze extreme opvatting van het kunstenaarschap lijkt misschien achterhaald. Toch zijn er ook in onze tijd nog kunstenaars te vinden die op zo’n radicale wijze toegewijd zijn aan hun werk. Zij willen niet beroemd worden en in het middelpunt van de belangstelling staan, maar zouden liever onzichtbaar zijn, zoals Joyce aanbeveelt, of zelfs in het niets oplossen.

Verdwijnkunstenaar par excellence

Neem de verdwijnkunstenaar, een zeldzaam figuur dat ervan droomt om op een dag in zijn schilderij te stappen of een personage te worden in het boek dat hij schrijft. Het is natuurlijk onmogelijk om daadwerkelijk te verdwijnen in een kunstwerk, maar hij wil het toch proberen en is bereid om er zijn leven voor op te offeren.

Er bestaat ook een vrolijk voorbeeld van zo’n verdwijnkunstenaar: Liu Bolin, een Chinese fotograaf met de bijnaam ‘de onzichtbare man’. Liu beschildert zichzelf zodat hij als een kameleon opgaat in het decor waarin hij zich bevindt – een speelgoedwinkel, een bos, een kiosk. Door op te lossen in de foto’s die hij maakt, toont hij het proces van het verdwijnen zelf. Dat maakt hem misschien de verdwijnkunstenaar par excellence, die aan het eind staat van een kleine traditie die begon bij die andere Chinees, Wu Daozi.

Niña Weijers’ ideeënroman De consequenties, genomineerd voor de Gouden Boekenuil en de Libris Literatuurprijs, opent met een motto van Marina Abramovic: ‘I really like the moment when the performance becomes life itself.’ De hoofdpersoon, de jonge kunstenares Minnie Panis, is gefascineerd door de grens tussen kunst en leven, tussen privacy en openbaarheid. Ze probeert die grens te overschrijden door haar leven te gebruiken voor haar kunst. Niet door autobiografisch werk te maken, maar door te verdwijnen als individu.

Op een dag besluit ze al haar bezittingen te verkopen, zelfs haar paspoort. Panis fotografeert de spullen die ze van de hand doet en filmt haar huis dat steeds leger wordt. Zo maakt ze haar persoonlijk leven tot kunst, maar wel aan de hand van spullen die onpersoonlijk en inwisselbaar zijn. Toeschouwers zullen niet veel te weten komen over Panis als ze naar dit kunstwerk kijken, zelfs een foto van haar paspoort kan niets vertellen over wie zij wezenlijk is. En dat bevalt Panis wel, want ze wil het liefst niemand zijn. Misschien dat ze het project daarom Nothing personal noemt.

Nothing personal wordt een groot succes. Grappig genoeg lijkt ‘iedereen iets van zichzelf terug te vinden in het werk’, zoals Weijers schrijft. De toeschouwers denken dat ze kijken naar het persoonlijk leven van de kunstenares en ervaren daarbij een gevoel van herkenning. In werkelijkheid is Panis’ tot kunstwerk omgevormde leven leeg als een spiegel waarin de toeschouwers slechts zichzelf zien. Panis is opgelost in haar werk, ze is niemand geworden, er is ‘alleen een gat in de vorm van haar lichaam achtergebleven’. Weijers: ‘Pas toen ze veel ouder was begreep ze dat de meeste mensen in feite zulke gaten waren, netjes uitgesneden in de vorm van zichzelf.’ Gaten die zichzelf het liefst opvullen met voedsel, bezittingen, meningen. Behalve Minnie Panis, die leeg wil zijn, onkenbaar wil blijven.

Met een zeilbootje de oceaan over

Weijers schrijft in haar boek uitgebreid over Bas Jan Ader (1942-1975), een verdwijnkunstenaar in de meest letterlijke zin. Ader probeerde in de zomer van 1975 in een zeilbootje van slechts vier meter lang de Atlantische Oceaan over te steken. Zijn tocht maakte deel uit van het project In Search of the Miraculous. Het was de bedoeling dat hij van Cape Cod, Massachusetts, zou varen naar Falmouth, Engeland. Daarna zou in zijn geboortestad Groningen het project afgesloten worden met een tentoonstelling.

Ader woonde in Los Angeles met zijn vrouw en was op dat moment een onbekende conceptuele kunstenaar. Zijn kleine oeuvre van films, foto’s en performances stond in het teken van zwaartekracht, vallen en loslaten. Ook onkenbaarheid en eenzaamheid waren zijn thema’s, zoals blijkt uit de korte film I’m too sad to tell you (1971), waarin hij huilt zonder te vertellen waarom. Uitleg verschafte Ader trouwens nooit bij zijn werk, dat moest voor zichzelf spreken.

Op 1 juli vertrok Ader, nadat hij was uitgezwaaid door zijn vrouw. Naast proviand en water had hij de Fenomenologie van de geest van de Duitse filosoof Hegel bij zich, alsof hij verwachtte ook een innerlijke reis te maken, naar de uithoeken van het denken. Een reis die bij Hegel eindigt als de geest opgeklommen is tot het absolute weten. Maar wat was het eindpunt dat Ader voor ogen had toen hij in zijn bootje stapte?

Helaas zou Ader nooit op zijn bestemming aankomen. Drie weken na zijn vertrek werd het radiocontact verbroken. Negen maanden later vonden Spaanse vissers zijn bootje op 240 kilometer afstand van de Ierse kust. Ader was spoorloos, zijn lichaam werd nooit teruggevonden.

Zo werd Ader een mythe. Het oeuvre dat hij achterliet, zou in de loop der jaren een cultstatus krijgen. Zijn zeereis werd het verdwijnpunt waar alle lijnen van zijn leven en werk samen leken te komen. Niña Weijers noemt zijn dood ‘het resultaat van een zeer nauwgezette oefening in onthechting’. ‘Wie Bas Jan Aders leven terugspoelt (...) zal inzien dat zijn verdwijning onvermijdelijk is.’

Verdwijnkunst of gewoon een ongeluk?

Heeft Ader zijn eigen dood gezocht, zijn eigen mythe geschapen? Heeft hij zijn leven opgeofferd aan zijn kunst? Niemand kan vertellen wat hem bezielde en wat er met hem is gebeurd. Is hij omgekomen in een storm of heeft hij zijn verstand verloren en is hij van boord gestapt? Er zijn geen feiten, alleen interpretaties. Zijn weduwe en zijn moeder dachten dat het een noodlottig ongeluk was, zo blijkt uit de documentaire van René Daalder uit 2008, Here Is Always Somewhere Else. Sommige van Aders vrienden meenden dat het een grap was en dat hij wel weer ergens zou opduiken. Ger van Elk, kunstenaar en vriend van Ader, sprak over een ‘filosofische zelfmoord’. En zijn broer Erik zei dat hij een mystieke ervaring zocht op zee.

Wat overblijft, is een raadsel dat nooit opgelost zal worden. Ader is in zijn kunstwerk verdwenen en heeft een leegte achtergelaten, een gat in de vorm van zijn lichaam. Hij heeft die leegte gezocht, maar wij verdragen haar niet, vullen haar liever op met vermoedens en verhalen. Maar we moeten ervoor waken een held van hem te maken, een martelaar voor de kunst. Weijers schrijft: ‘Er is een kans dat hij het vond, the miraculous, dobberend op die weidse oceaan, helemaal alleen met zijn lichaam en de elementen. Er is ook een kans dat hij het nooit vond en vooral bang was, eenzaam, wanhopig, menselijk.’

Ik wil graag grip krijgen op Bas Jan Ader, Minnie Panis, Liu Bolin en Wuo Daozi. Ik wil weten waarom ze verdwenen zijn en waar ze zich nu bevinden. Maar verdwijnkunstenaars laten zich niet kennen; ze ontwijken alle vragen, wijzen alle interpretaties af. Hun kunstwerken maken ze niet voor het publiek, maar omdat ze willen opgaan in iets wat groter is dan zijzelf. Dat denk ik tenminste, ik weet het niet zeker. Misschien is het ook beter om niet alles te willen verklaren, om het raadsel intact te laten.

In ieder geval is het kunstenaarschap voor hen een roeping die ze tot het bittere eind moeten volbrengen. Zo’n mate van toewijding is voorstelbaar. Maar ook al begrijp ik ze niet, ik bewonder de verdwijnkunstenaars omdat ze laten zien hoe dicht je het onmogelijke kunt naderen als je bereid bent tot het uiterste te gaan.