Bij Genchev is het doek een arena van realisme

Virtuositeit in de schilderkunst – is dat water perfect kunnen naschilderen, zoals Chinese schilderscholen nastreven? Is dat ‘de welving van de lucht en het vibrerend spel van de dampkring’ precies tot uitdrukking brengen, zoals schilder Willem Roelofs eind negentiende eeuw beweerde? Of is dat scherp en onscherp, figuratief en abstract, fijn en woest zo vernuftig door elkaar gebruiken dat het doek een arena wordt met realisme als inzet?

Dat laatste geldt voor het werk van de Bulgaarse schilder Dimitar Genchev (1985). Genchev vertrok na de kunstacademie in Sofia naar Nederland, waar hij aan de HKU en later de Rijksakademie opzien baarde met kolossale doeken die met hun kleurgebruik en inhoud verwezen naar een postcommunistisch Europa. Vooruitgangssymbolen, zoals een Lada of een locomotief, werden groot maar groezelig in beeld gebracht, alsof alles al jaren stond te wachten op de sloophamer. Genchev schilderde glimmende zonnebrandlijven van toeristen aan de Zwarte Zee, slapende arbeiders in de tram of gewoon een doorkijkje in een rommelig binnenhof, een slaapkamer, een keuken – simpele voorstellingen met een snuifje nostalgie, uitmuntend geschilderd.

Op de Rijksakademie en op zijn solo bij Galerie Gerhard Hofland blijkt dat de kunstenaar een pad heeft gekozen waarbij de kritische beeldbevraging voorop is komen te staan. Het gaat niet om wát hij schildert, maar hoe. Het resultaat daarvan is gewaagd, soms tegen het kitscherige aan.

Een geslaagd voorbeeld is Courtyard (2014): een overvolle rangschikking van potten, planten, kopjes, bloemen, een tafel en een rij stenen daarachter. Dit doek imponeert door het bijzondere perspectief. Schuin van boven kijk je langs een onscherp in beeld gebracht kopje naar de drukke pottafel onder je, en daarachter een stuk binnenhof. Delen van het doek blijven mysterieuze abstracties, terwijl andere stukken het oog bedriegen, zo realistisch zijn ze geschilderd. Niets is eenduidig, alles is in beweging – zelfs een al verwelkte tulp.