Paleizen van het Nieuwe Werken

Grote open ruimtes, glazen hokjes en vooral geen vaste werkplekken, tadaa! Het Nieuwe Werken was geboren. Fotograaf Lars van den Brink verwonderde zich over al die identieke kantoren, en maakte er een fotoserie over.

Foto’s Lars van den Brink

Waar zijn de foto’s van bedrijfsfeestjes van twaalf jaar geleden? Waar is de kast vol met glimmende bokalen van gewonnen zaalvoetbaltoernooien? Waar is de koffiemok met afbeelding van de kinderen?

Dat vroeg fotograaf Lars van den Brink zich steeds vaker af. Voor zijn werk is hij regelmatig te vinden in grote kantoren. En langzamerhand zag hij die veranderen. Ze werden frisser en hipper, maar ook onpersoonlijker en leger. „Alles is strak, clean, kleurrijk en overzichtelijk en vooral efficiënt. Overal tref je dezelfde banken met hoge rugleuningen, de kleurrijke poefs, de loungebanken en de glazen vergaderruimtes midden in de ruimtes.” Deze eenvormigheid fascineerde hem, en voor nrc.next maakte hij er een fotoserie van.

Maar waarom zien onze werkplekken er zo uit? Nou, ook kantoren doen mee aan mode natuurlijk, maar er is meer aan de hand. De veranderingen die Van den Brink zag hebben te maken met een nieuwe manier van werken: het Nieuwe Werken. Pieter van der Heijde, algemeen directeur van Bureau Stedelijke Planning, ziet het meteen als hij naar de foto’s kijkt. Hij turft de uiterlijke kenmerken: „Flexibele werkplekken, lege bureaus, kluisjes voor persoonlijke spullen.”

Wat het Nieuwe Werken nou precies inhoudt, betekent voor iedereen wat anders. Maar zeker is: nieuw werken is flexibel werken. Door clouds en docking stations kunnen we door het hele pand aan de slag (als we überhaupt nog op kantoor zitten). Zichtbaar thema in de kantoren is ‘groen en duurzaam’. Symbolisch (veel groene muren), met plantenwanden maar ook door energiebesparende maatregelen (zo wordt het kantoor van verzekeringsmaatschappij a.s.r. verwarmd met aardwarmte).

En waar er Nieuw Gewerkt wordt, daar wordt de werkvloer meestal kleiner. We werken veel parttime, en ook steeds vaker thuis. Omdat bijna niemand meer een eigen bureau heeft, zijn er minder plekken nodig. Een collega kan dan jouw plek innemen op de woensdagen dat je er niet bent. Een bezuiniging dus – al benadrukken bedrijven dat liever niet.

Weg met rommelige muismatten

Zeg je flexplek, dan zeg je clean desk policy: de afspraak elke dag een schoon en leeg bureau achter te laten. Of zoals Van den Brink het ziet: „Het ontkennen van het menselijk verlangen een persoonlijke plek te creëren.” Iedereen die ooit een stap binnen een kantoor heeft gezet, weet dat dat menselijke verlangen sterk is – flexplekken worden gekaapt, spulletjes achtergelaten, rommeltjes gedumpt. Van der Heijde: „de praktijk leert dat bij flexplekken de klad er snel in komt.”

Daar hebben ze bij Eneco een antwoord op. Marcel Boltjes is er de zogeheten hospitalitymanager en houdt het pand van het energiebedrijf in de gaten. In het begin moest hij nog weleens optreden tegen rondslingerde muismatjes, zegt Boltjes, „maar het wende vanzelf”. Eneco vond zelfs een ‘flexdeskoplossing’ voor het (nu dus verboden) fotolijstje op het bureau: de zelfgekozen afbeelding op je laptop. Zet ’m in je docking station en je gezin, op A4-formaat, kijkt je de hele dag aan.

Werd het kantoor tóch een fabriek

Het kantoor is een van de normaalste plekken om te werken – je zou bijna vergeten dat er een geschiedenis aan vastzit, schrijft Nikil Saval in zijn boek Cubed. A secret history of the workplace. In de negentiende eeuw ontstond de voorloper van het kantoor zoals we dat nu kennen. Kantoorklerken, die papierwerk deden in kleine, rokerige ruimtes. Vaak saai en repetitief werk. En toch is hun werk heel anders dat van fabrieksarbeider, volgens Saval. Want wie aan de lopende band stond werd, dat kon je best met zekerheid zeggen, nooit fabrieksbaas. Maar een kantoorklerk, zegt Saval, kon zich opwerken (en hield nog schone handen ook).

Maar de kantoren in de Verenigde Staten werden in de loop der jaren steeds groter, en die hoop steeds kleiner – honderden medewerkers deden dag in dag uit hetzelfde saaie werk. Het kantoor was tóch in een fabriek veranderd. Het ultieme voorbeeld werd de cubicle: je eigen eenpersoonshokje dat ontstond in de jaren zestig. (En, schrijft Saval, nog steeds de werkplek van 60 procent van de Amerikanen.)

Nederland is wat minder hiërarchisch ingericht dan de Verenigde Staten, zegt Juriaan van Meel, kantoorkenner en onderzoeker aan de Technical University of Denmark. ‘Uitwassen’ als de cubicle zijn hier niet doorgebroken. Maar onze kantoren waren vaak wel saai, grauw, en hokkerig – en lang niet iedereen was daar blij mee. In de jaren zestig is er een een kantoorrevolutie: de kantoortuin.

Kantoortjes maakten plaats voor enorme open ruimtes, voorzien van nieuwe snufjes. Van Meel: „Het vaak donkere kantoor werd opgefleurd door veel kunstlicht, en airco dat was luxe! Kijk, door het gebrek aan frisse lucht noemen we zo’n gebouw nu een ‘sick building’, maar dit was toen vooruitgang.” Net zoals bij het Nieuwe Werken is de kantoortuin niet alleen vorm, er zit ook een idee achter, een concept. „Als je alles open maakt”, zegt Van Meel, „praten mensen makkelijker met elkaar. Kennis wordt makkelijker overgedragen. En omdat managers en medewerkers in dezelfde ruimte komen te werken, verdwijnt de hiërarchie. Dat was tenminste het idee.”

In de praktijk was dat zo makkelijk nog niet. „Het was toen, in de jaren zestig, te vroeg om hiërarchie af te schaffen”, zegt Van Meel. Bijna alle kantoortuinen verdwijnen weer in de jaren tachtig, en we trokken ons weer stilletjes terug in kamertjes van één, twee, of net iets meer.

Nou ja, tot een paar jaar terug. Want eigenlijk is de kantoortuin terug – maar nu in flexvariant, met meer natuurlijk licht, maar minder persoonlijke spullen.

Ook sommige problemen zijn terug. Iedereen die in een grote, open ruimte werkt kan het waarschijnlijk beamen: echt rustig is het niet. „Voor diverse werkzaamheden gaat de arbeidsproductiviteit in grote ruimtes achteruit. Je kunt je gewoon niet goed concentreren”, zegt Pieter van der Heijde van Bureau Stedelijke Planning. En veel privacy is er ook niet bij. Maar daar heeft het moderne kantoor een antwoord op: het glazen hok midden in de ruimte. En voor wie wat intiemers zoekt: de bank met hoge rugleuning. Als een spons neemt zo’n bank bijna al het geluid op. Geschikt voor een een primeurtje tot een slechtnieuwsgesprek. Fotograaf Lars van den Brink zag ze overal terug. „Het zijn de iconen van het nieuwe kantoor.”