‘Ik gedij goed in donkere krochten’

De nieuwe film van de gevierde animator is te zien op HAFF – en is weer onheilspellend als altijd.

Bleke verpleegster en vier zwart geklede mannen in Splintertime.

Vier in het zwart geklede mannen worden in een compleet witte wereld rondgereden in een ambulance die wordt bestuurd door een bleke verpleegster die zich halverwege als ballerina ontpopt. De mannen zitten aan kettingen, op de grond scharrelt een eend, zonder romp maar wel met kop en zwemvliezen. De nachtmerrie-achtige, surreële sfeer krijgt aan het eind een ontroerende wending, als duidelijk wordt wat er met de vier is gebeurd.

Fans van de Amsterdamse filmmaker, muzikant en kunstenaar Rosto zullen de vier mannen die zijn nieuwste film Splintertime bevolken meteen herkennen: het zijn de leden van zijn voormalige band The Wreckers, aan wie Rosto eerder twee films wijdde: No Place Like Home en Lonely Bones. Een vierde film rond de inmiddels tot Thee Wreckers omgedoopte band is in de maak. Muziek staat aan de basis van alles wat hij doet: „Voor mij is muziek de moeder van alle kunsten. Muziek heeft tijd, structuur, emotie. Muziek vormt het hart van mijn films. Ik zie film als een symfonie, met de verschillende technieken als mogelijk instrument. Samen moeten ze één stuk gaan spelen.”

Splintertime beleeft zijn Nederlandse première op het Holland Animation Film Festival (HAFF), dat dit jaar zijn dertigjarig jubileum viert. Ook is het twintig jaar geleden dat Rosto zijn eigen studio oprichtte. Sinds zijn studie, eind jaren tachtig, begin jaren negentig, werkt hij gestaag aan een volstrekt uniek oeuvre met aan zijn onderbewuste ontsproten films die zowel persoonlijk als universeel zijn.

Rosto: „Kunst is eigenlijk altijd een zelfportret. Qua belevingswereld maar ook letterlijker: veel van mijn personages zijn alter ego’s, maar het personage Virgil heeft zelfs mijn gezicht gekregen.” Niet alleen heeft Rosto een herkenbare signatuur, ook keren personages (onder wie de Langemanne, Buddybob en Diddybob) uit de ene film terug in de andere; alles grijpt in elkaar.

In 2005 werd Jona/Tomberry uitgeroepen tot beste korte film van het filmfestival Cannes onderdeel Semaine de la Critique, en in 2011 verraste Rosto vriend en vijand met het speciaal voor zijn zoon Max gemaakte, en voor zijn doen toegankelijke The Monster of Nix – indertijd de Nederlandse inzending voor beste animatie-Oscar. Tot zijn onbegrip wordt zijn werk altijd omschreven als duister. „Ik heb moeten leren accepteren dat mensen het zo zien. Klaarblijkelijk kleeft er iets unheimisch aan mijn werk, daar ontkom ik niet aan. Ik gedij nou eenmaal goed in de donkere krochten van mijn geest en kan daar mensen naartoe trekken, of zoals de Duitse expressionisten zeiden: het licht daar laten schijnen waar het normaal gesproken donker is.

„Ik zie veel gekkere dingen, niet alleen in andere films maar ook in de wereld. Dingen die mij veel meer overstuur maken dan mijn eigen universum. Mijn wereld is emotioneel, en ik ben niet vies van het gebruik van archetypes en jungiaanse droomanalyse. Dat zijn toch universele waarden die in de geschiedenis van de mensheid steeds weer opnieuw gebruikt worden, en dat doe ik ook.”

„Ik merk dat mensen mij graag willen categoriseren. Sommigen noemen mijn werk daarom neo-surrealistisch. Surrealisme mag nooit direct iets betekenen. Salvador Dalí en Luis Buñuel spraken tijdens het maken van hun surrealistische klassieker Un chien andalou (1929) met elkaar af dat zodra ze iets konden uitleggen, ze het niet zouden gebruiken. Neo-surrealisme daarentegen is verklaarbaar of te herleiden, soms pas na heel veel denk- en puzzelwerk, maar dan blijkt iets wel degelijk geworteld in een bepaalde realiteit. Ik denk dat mijn werk dat ook heeft, het is niet zomaar lekker gek doen. Maar ik schuw de droomwereld en het intuïtieve niet, het gaat mij om de poëzie. Dat het uiteindelijk allemaal wel uitlegbaar is, is bonus, blijkbaar zit er ‘method in the madness’.

„Men zegt dat duisternis het publiek wegjaagt. Ik geloof daar niet zoveel van, anders hadden we geen David Lynch, Tim Burton en David Cronenberg. Voor mij is het donkere een tweede natuur. Als je Dantes Divina Commedia leest, dan is het boek over de hel het dikst, het vagevuur een stuk dunner en de hemel ontzettend dun. Er valt nu eenmaal veel meer te beleven in die donkere krochten. Dat is ook waar film en drama over gaan, conflicten, crises. Zoals de Talking Heads al zongen: ‘Heaven is a place where nothing ever happens’.

„Ik ben altijd mijn eigen eilandje geweest, ik pas niet in een school of lichting. Het is heel Nederlands om bij het eten een grote arm om je bord te doen om het af te schermen. Zo werkt het ook in de Nederlandse animatiewereld. Ik weet niet waar we bang voor zijn, misschien dat er dingen afgekeken worden. Het is een klein dorp, waar iedereen elkaar kent. De cultuur is zachtaardig, al is er soms wat afgunst. Ik ben niet geworteld in de animatiewereld, ik bezoek het dorp regelmatig, maar woon er niet. Ik woon op mijn eigen planeet.”