Hofschilder bleef onterecht onbekend

Bloemstilleven op marmeren tafel, te zien in Maastricht. Foto Bonnefantenmuseum

Hoe weinig er ook bekend is over de zeventiende-eeuwse schilder Henri de Fromantiou, zeker is dat hij verschillende gezichten moet hebben gehad. Uit de documenten komt hij naar voren als reislustig en temperamentvol, nu eens charmant, dan weer chagrijnig.

In Den Haag verkeerde hij in adellijke kringen waar hij zich liet voorstaan op een (echte of verzonnen) aristocratische afkomst. Maar als kunstenaar begon hij ‘op de galey’: een nederige betrekking waar voor lage betaling aan de lopende band voor kunsthandelaars werd geschilderd. Constantijn Huygens de oude noemde hem na hun ontmoeting ‘onaangenaam en brutaal’. Maar de keurvorst van Brandenburg waardeerde De Fromantious ‘levendigheid, handigheid en vele vrolijke invallen’. Dat waren althans de eigenschappen die volgens een tijdgenoot de goede relaties tussen de kunstenaar en de vorst bepaalden.

Henri de Fromantiou (1633 of 1634-na 1693) was geboren in Maastricht en kwam, na de nodige omzwervingen, in 1670 in dienst bij de prachtlievende keurvorst Friedrich Wilhelm die er in Potsdam bij Berlijn een grote kunstverzameling op na hield.

De Fromantiou werkte er als beheerder van de verzameling, restaurator, kunsthandelaar en adviseur. En daarnaast was hij de officiële hofschilder die tegen een jaargeld schilderijen leverde. Van zijn oeuvre zijn tegenwoordig nog zo’n 35 werken bekend, waarvan nu de helft wordt getoond in een tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum.

Een van de redenen waarom De Fromantiou lang een onbekende in de kunstgeschiedenis is gebleven is, paradoxaal genoeg, de hoge kwaliteit van zijn werk. De stillevens van bloemen en jachtbuit waarin hij uitblonk, zijn vaak verward met die van zijn voorbeelden, beroemde schilders als Willem van Aelst en Jan Baptist Weenix.

Op grond van enkele door de kunstenaar zelf gesigneerde werken hebben de experts toch een deel van zijn oeuvre kunnen reconstrueren.

Vaak zijn het variaties op een thema, zoals de bloemenvaas op een marmeren tafel; een grote roze roos in het midden en een rode klaproos die er aan een kronkelige steel bovenuit steekt.

Maar voor wie er de tijd voor neemt, vraagt elk werk weer aandacht door de precieze manier waarop de schilder bloemen en dode vogels in beeld heeft gebracht, met soms een schijnbaar achteloos neergezet detail als een slak, een vlieg of een vlinder – traditionele foefjes om de illusie van natuurlijkheid nog te versterken.

De Fromantious uiterst nauwkeurig geobserveerde changeant-effecten van zonlicht op gekleurde bloemblaadjes, de bijna tastbare donzigheid van de veren van geschoten vogels en de beslagen indruk die stelen en groen blad soms maken, laten zich in de tentoonstelling mooi vergelijken met werk van tijdgenoten die in dezelfde genres werkten.

Uit de verstildheid van de schilderijen blijkt maar weinig van de bewogen levenswandel van een schilder in het zeventiende-eeuwse Europa, waar de catalogus wel uitvoeriger op ingaat.