Discriminatie los je zelf maar op 

Premier en VVD-leider Mark Rutte deed maandag een veel bekritiseerde uitspraak in een interview met Metro-columnist Ebru Umar over de vmbo-klas in Den Haag die hij geschiedenisles geeft. Rutte zei dat jongeren die gediscrimineerd worden, zich maar „moeten invechten”. Kan een premier dat zomaar zeggen?

Foto BART MAAT/ANP

Meneer Rutte, wat leert u van de kinderen in uw klas? 

Heel veel. Een van de dingen die ik leer, is hoe ingrijpend discriminatie is. Dat het in Nederland nog veel voorkomt en het echt uitmaakt of je Mohammed of Jan heet als je solliciteert. Ik heb daar over nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat ik dit niet kan oplossen. De paradox is dat de oplossing bij Mohammed ligt. Ik kan tegen Nederland zeggen: ‘discrimineer aub niet, beoordeel iemand op karakter en kennis.’ Maar als het wel gebeurt, heeft Mohammed de keus: afhaken wegens belediging of doorgaan. Nieuwkomers hebben zich altijd moeten aanpassen, en altijd te maken gehad met vooroordelen en discriminatie. Je moet je invechten.

 

Minderheden worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt, maar in aanloop naar de verkiezingen zegt premier Rutte dat hij niets kan doen. Wie zich gediscrimineerd voelt, moet zich „invechten”. Ruttes uitspraken leidden tot discussie. Hoort de overheid discriminatie op te lossen? Zes reacties.

Ahmed Marcouch, Tweede Kamerlid (PvdA) van Marokkaanse afkomst:

„Dit is een verkeerd signaal. Het kabinet moet volmondig uitdragen dat discriminatie bij de wet verboden is. De overheid is ook werkgever en moet het goede voorbeeld geven. Dit is juist een verslapping van de premier. Wie wordt gediscrimineerd, mag steun verwachten. Ik vind dat de werkgevers veel te stil zijn. Elk bedrijf of onderwijsinstelling zou een punt moeten maken van discriminatie. We moeten streven naar een cultuur waarin bedrijven elkaar aanspreken, zodra dat nodig is. Convenanten alleen zijn niet genoeg.”

Jan Jaap de Ruiter, arabist en docent Tilburg University:

„Klagen over discriminatie helpt je niet verder, daar heeft Rutte gelijk in. Ik schrijf een column voor de Turkse krant Zaman en elke week staat daarin een interview met een succesvolle Turkse Nederlander. Ondernemers, advocaten, geslaagde jongens die ondanks hun achterstandspositie hebben doorgezet. Je staat inderdaad voor de keuze: klagen of je invechten. Tegelijk had hij als hoofd van de regering ook moeten zeggen dat hij zijn best doet discriminatie te voorkomen. Maar uiteindelijk is discriminatie een fact of life, waartegen je als individu moet vechten. Schouders eronder. Dat is beter dan in de slachtofferrol blijven hangen en na elke afwijzing te gaan mauwen dat je wordt gediscrimineerd.”

Nicoline Grötzebauch, directeur van buurthuis De Mussen in de Haagse Schilderswijk:

„Ik zou Rutte willen uitnodigen zich te verdiepen in de leefwereld van allochtone jongeren en het klimaat waarin zij leven. Ik maak me hier nog boos over, zij al niet meer. Het is hun dagelijkse realiteit. Ik ben ervan overtuigd dat uitspraken als deze een zetje richting het kalifaat van IS kunnen zijn. Derde- en vierdejaarsgeneratie immigranten voelen zich niet thuis in het land van herkomst van hun familie en de premier zegt eigenlijk dat ze er hier ook niet bij horen. De boodschap dat ze nergens welkom zijn maakt jonge jongens vatbaarder voor radicalisering. Een groep als IS geeft ze de identiteit, het groepsgevoel, kaders en dromen die ze hier missen.”

Nourdeen Wildeman, islamitisch blogger en spreker:

„Om mij heen zie ik hoe moeilijk het is aan een baan te komen als je een hoofddoek draagt, of een Marokkaanse of Turkse naam hebt. De afgelopen weken is in de media bericht over werkgevers die zeiden sollicitanten te weigeren omdat ze een hoofddoek dragen. Daar hoor je vanuit het kabinet nauwelijks iets over. Je ziet dat er in Nederland geen sfeer is waarbij de overheid actief reageert op discriminatie. Eigenlijk zegt Rutte: wie gediscrimineerd wordt, moet maar veranderen. Hij zegt dat hij zichzelf ziet als de minister-president van alle Nederlanders, maar bedoelt: alle etnische Nederlanders.”

Rikki Holtmaat, hoogleraar International Non-Discrimination Law aan de Universiteit Leiden:

„Rutte zegt dat hij niets kan doen aan discriminatie, maar dat is niet waar. Het Openbaar Ministerie kan veel meer doen, door niet alleen klachten van burgers te onderzoeken, maar ook pro-actief een onderzoek te beginnen als ergens signalen zijn van discriminatie. Een tweede mogelijkheid ligt bij het College voor de Rechten van de Mens. Die heeft de bevoegdheid zelfstandig zaken aan de rechter voor te leggen, ook wanneer er geen individuele klachten over zijn binnengekomen. Maar dit College maakt veel te weinig gebruik van die bevoegdheid. Verder zou het kabinet ook zelf pro-actief beleid kunnen ontwikkelen tegen discriminatie. Je kunt werkgevers instructienormen meegeven met daarin de uitdrukkelijke opdracht discriminatie te voorkomen. Dat staat al in de wet, maar er wordt slecht op toegezien door de arbeidsinspectie.”

Cyriel Triesscheijn, directeur Art.1, kenniscentrum discriminatie Nederland:

„Racisme is de enige rotzooi die je niet door buitenlanders mag laten opruimen, zei Youp van ’t Hek ooit. Heeft-ie gelijk in. Het tegengaan van discriminatie is een klassieke taak van de overheid. De oplossing voor discriminatie mag niet bij de slachtoffers gelegd worden. Discriminatie is een misdrijf. Zoals je tegen een slachtoffer van geweld ook niet zegt: maak iets van je leven en los het zelf maar op, zeg je dat ook niet tegen een slachtoffer van discriminatie.”