Als Boedapest te duur wordt

Arme Paul Schrader. Ooit gevierd als schrijver van Taxi Driver en Raging Bull en als regisseur van American Gigolo en Mishima. Een filmmaker die je serieus nam. Maar sinds het verdienstelijke Auto Focus, een portret van de seksverslaafde acteur Bob Crane in 2002, kwakkelt hij zonder van opgeven te weten.

Na het groezelig gefilmde psychodrama The Canyons probeert hij het nu met Nicolas Cage in Dying of the Light. Cage speelt CIA-agent Evan Lake wiens geheugen en stabiliteit lijden onder fronttemporale dementie. Als zijn bazen hem op non-actief stellen, wil hij nog een oude rekening vereffenen met zijn oude nemesis Muhammed Banir, een eveneens doodzieke terrorist.

De bedoeling is helder: een commerciële actiethriller met diepgang, hart en een door starheid en schuld verteerde, calvinistische Schrader-held. Cage schmiert er ook enthousiast op los, met rollende ogen, diepe zuchten en bezweet voorhoofd. Maar dat maakt het niet geloofwaardiger, deze combinatie van vergezocht script, hakmontage en Eurotrash-actie uit Boekarest, de filmstad naar keuze als zelfs Boedapest te duur wordt. En dan dat in deze context potsierlijk verheven Dylan Thomas- citaat: „Rage, rage against the dying of the light”. Dat ook een beetje droevig stemt als je aan de loopbaan van Schrader denkt. Je gunt hem nog een goede film, echt. Deze is het niet.